Onderzoeksvaardigheden

Onderzoeksvaardigheden
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Onderzoeksvaardigheden

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Waar ben jij nieuwsgierig naar?

Slide 3 - Woordweb

Bronnen selecteren
Objectief vs. subjectief
(wetenschappelijke bevindingen vs. meningen en vooroordelen)

Wat is het doel van het geschrevene?
Wat is de bredere context?
Hoe zijn woorden en afbeeldingen gekozen?
Op welke manier is de informatie tot stand gekomen?

Zoek nu zelf twee bronnen op over een onderwerp dat jou interesseert. Bepaal of deze bronnen objectief of subjectief zijn.



Slide 4 - Tekstslide

Bronnen beoordelen
 Jullie presenteren kort jullie onderwerp en de artikelen die je daarbij hebt gevonden. 

De anderen luisteren en beoordelen of de artikelen objectief of subjectief zijn en waarom! 
Gebruik daarvoor de volgende richtvragen:

Wat is het doel van het geschrevene?
Wat is de bredere context?
Hoe zijn woorden en afbeeldingen gekozen?
Op welke manier is de informatie tot stand gekomen?

Slide 5 - Tekstslide

1. De artikelen die mijn groepsgenoten hebben gevonden waren vooral objectief/subjectief?
2. .... want?
3. Waar moet je op letten bij het selecteren van bronnen?

Slide 6 - Tekstslide

Bronnen selecteren
Wanneer is een bron betrouwbaar?
  • Gedegenheid (wetenschappelijk artikel > krantenartikel)
  • Kwaliteitscontrole en controleerbaarheid (waar komt de info vandaan?)
  • Bevestiging (vanuit andere bronnen)

Wanneer is een bron representatief?
"Op basis van deze afbeelding kan ik zeggen: zwanen 
zijn zwart". Als de informatie is gebaseerd op een zo
volledig mogelijke weerspiegeling van het verschijnsel.

Slide 7 - Tekstslide

Onderzoeksvragen
Beschrijvende vragen
Meer willen weten over een bepaald maatschappelijk vraagstuk. 
Vragen die beginnen met: wanneer, hoeveel, welke...

Verklarende vragen
Het willen verklaren van verbanden tussen variabelen zoals oorzaak-gevolgrelaties. Vragen die beginnen met: waarom, waardoor...

Slide 8 - Tekstslide

Welke doelgroep wil bedrijf X met zijn instagramprofiel bereiken?
A
Beschrijvende vraag
B
Verklarende vraag

Slide 9 - Quizvraag

Waardoor wordt het ziekteverzuim van baliemedewerkers bij Rabobank Nederland veroorzaakt?
A
Beschrijvende vraag
B
Verklarende vraag

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het effect van agressie in videogames op het gedrag van kinderen?
A
Beschrijvende vraag
B
Verklarende vraag

Slide 11 - Quizvraag

In hoeverre bestaat er effectief beleid op het onderhouden van een hoge mate van voetbalveiligheid in Nederland?
A
Beschrijvende vraag
B
Verklarende vraag

Slide 12 - Quizvraag

Soorten onderzoek
Kwalitatief onderzoek vs. kwantitatief onderzoek
  • Kwantitatief: hoeveelheden, telbaar
  • Kwalitatief: ervaringen en beweegredenen, niet telbaar

Meetinstrumenten
  1. Enquête (gesloten vragen; grote hoeveelheid data; kwantitatief)
  2. interview (open vragen; diepliggende informatie; kwalitatief)
  3. Observatie (gedrag van mensen)
  4. Experiment (proefpersoon in een gecontroleerde omgeving)

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Wat weet je nog van kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

Slide 15 - Woordweb

Een organisatie wilt weten of het helpt om campagne te voeren tegen alcoholgebruik onder minderjarigen. Ze heeft een specifiek filmpje gemaakt en ze wil graag weten of jongeren minder alcohol gaan gebruiken nadat ze dit filmpje hebben gezien.
A
Enquete
B
Interview
C
Experiment
D
Observatie

Slide 16 - Quizvraag

Fair Trade is benieuwd naar hoe aangesloten boeren hun werksituatie nu ervaren. Worden verwachtingen waargemaakt en wat zijn eventuele verbeterpunten?
A
Enquete
B
Interview
C
Experiment
D
Observatie

Slide 17 - Quizvraag

De overheid wil in kaart brengen hoeveel jongeren in één keer de goede studiekeuze maken en wat ze doen als dit niet het geval is. Dit onderzoek wordt gedaan onder alle jongeren in Nederland die vorig jaar hun schooldiploma haalden.
A
Enquete
B
Interview
C
Experiment
D
Observatie

Slide 18 - Quizvraag

Een onderzoeker is benieuwd naar het gedrag van mensen in supermarkten. Hij is vooral geïnteresseerd in onbewuste handelingen, zoals of mensen veel dwalen of juist erg efficiënt boodschappen doen.
A
Enquete
B
Interview
C
Experiment
D
Observatie

Slide 19 - Quizvraag

Het blijkt dat geweld tegen hulpverleners toeneemt. Onderzoekers willen bij de slachtoffers hiervan vaststellen hoe zwaar het geweld was en in welke situatie het plaatsvond.
A
Enquete
B
Interview
C
Experiment
D
Observatie

Slide 20 - Quizvraag

Onderzoekers zijn benieuwd of de locatie waar mensen gaan stemmen het stemgedrag beïnvloedt. Ze creëren verschillende situaties en onderzoeken of de omgeving effect heeft op het stemgedrag.
A
Enquete
B
Interview
C
Experiment
D
Observatie

Slide 21 - Quizvraag

Wat kenmerkt een goede onderzoeksvraag?
Enkelvoudig: Eén vraag, geen meerdere in één.

Afgebakend: Duidelijk wie (is het duidelijk wie dit zijn), wat (begrijpt iedereen hetzelfde onder deze woorden? Zo niet, dan aanpassen), waar (in een gemeente? Land?) en wanneer (welke periode).

Open: Nodigt uit tot onderzoek (geen 'ja/nee'-vraag).

Onderzoekbaar: Niet zomaar opzoekbaar in een boek.

Complex: Niet te simpel, maar wel haalbaar.


Slide 22 - Tekstslide

Variabelen en hypothesen
Hoofdstuk 5 Onderzoeksvaardigheden

Slide 23 - Tekstslide

Leerdoelen
Je begrijpt wat variabelen zijn en kunt uit een onderzoeksvraag zowel de onafhankelijke als afhankelijke variabele afleiden.
   
Je bent in staat om een conceptueel model op te stellen en weet wat je uit een conceptueel model kunt afleiden.

Je begrijpt wat een hypothese is, kunt een hypothese herkennen in een bron en deze zelf ook toepassen bij het doen van onderzoek.


Slide 24 - Tekstslide

Variabelen
Een variabele is een kenmerk van een object, actor of samenleving dat kan variëren. 

Onafhankelijke variabele: de variabele die als oorzaak wordt gezien voor het veranderen van een andere variabele
Afhankelijke variabele: de variabele die wordt beïnvloedt door één of meer onafhankelijke variabelen

Slide 25 - Tekstslide

'Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe groter de kans op een hoger inkomen.'

Wat is de onafhankelijke variabele en wat de afhankelijke variabele?
A
OV: inkomen AV: opleidingsniveau
B
OV: opleidingsniveau AV: inkomen

Slide 26 - Quizvraag

Hypothese
De samenhang tussen variabelen kunnen we beschrijven aan de hand van een hypothese. 

Dit is een toetsbare stelling (je kunt dit onderzoeken/meten) en is een veronderstelling hoe de werkelijkheid in elkaar zit. 

Je kunt dit dan zichtbaar maken in een conceptueel model

Slide 27 - Tekstslide

Onderzoekers zijn benieuwd of de locatie waar mensen gaan stemmen het stemgedrag beïnvloedt. Ze creëren verschillende situaties en onderzoeken of de omgeving effect heeft op het stemgedrag.
Stel een hypothese op en teken het conceptueel model wat past bij deze onderzoeksvraag.
Onderzoekers zijn benieuwd of de locatie waar mensen gaan stemmen het stemgedrag beïnvloedt. Ze creëren verschillende situaties en onderzoeken of de omgeving effect heeft op het stemgedrag.
Stel een hypothese op en teken het conceptueel model wat past bij deze onderzoeksvraag. 

Slide 28 - Open vraag

Slide 29 - Tekstslide

Opdracht
Welk probleem wordt in de bovenstaande tekst omschreven? 
Hoe draagt het kernconcept identiteit bij aan het in stand houden van dit probleem? Maak in je antwoord onderscheid tussen persoonlijke identiteit en sociale identiteit.

Leg uit hoe verschillende socialisatoren een rol spelen in het ontstaan van gewelddadig gedrag onder jongeren.

Lees de laatste alinea. Welke kernconcepten passen bij deze alinea?



Slide 30 - Tekstslide

Jouw eigen onderzoeksvragen
Kies een onderwerp dat past binnen MAW (dus moet gaan over een maatschappelijk vraagstuk/probleem)

Bepaal je doel: Wat wil je precies weten of oplossen? Gebruik zo nodig de onderwerpen die we vorige week hebben gebrainstormd.

Bedenk een onderzoeksvraag (hou daarbij rekening met de kenmerken van een goede onderzoeksvraag). 




Slide 31 - Tekstslide

Hypothese
Kijk nu eens terug naar de onderzoeksvraag die je hebt geformuleerd.

Noteer het volgende:
  • De onafhankelijke variabele en de afhankelijke variabele;
  • Een conceptueel model waarbij je de relatie tussen deze twee variabelen schematisch weergeeft;
  • Een hypothese die past bij het conceptueel model (toetsbare stelling die je kunt onderzoeken)

Slide 32 - Tekstslide