6.2 brandstoffen verbranden

6.2 Brandstoffen verbranden
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

6.2 Brandstoffen verbranden

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen
herhalen paragraaf 1
Uitleg paragraaf 2
Zelfstandig werken

Slide 2 - Tekstslide

6.1; Je kunt
  • vier elektrische warmtebronnen noemen 
  • energie-stroomdiagrammen van een warmtebron tekenen en toelichten.
  • berekenen hoeveel warmte een elektrische warmtebron in een bepaalde tijd levert.
  • verbanden tussen temperatuur, tijd en warmte meten en weergeven in een diagram.

Slide 3 - Tekstslide

Energie herhaling
symbool: E
eenheid: Joule (J)

1 kJ = 1 kiloJoule = 1000 J = 1000 Joule
1 MJ = 1 megaJoule = 1.000.000 J = 1.000.000 Joule

Elektrische warmte Q = E = P x t (let op bij Q geen kWh maar J 

Slide 4 - Tekstslide

6.2 leerdoelen; Je kunt
  • drie voorbeelden geven van warmtebronnen die chemische energie verbruiken.
  • berekeningen uitvoeren met de verbrandingswarmte van een brandstof.
  • het reactieschema van de volledige verbranding van aardgas noteren.
  • uitleggen waarom je bij gastoestellen voor voldoende luchttoevoer moet zorgen.
  • beschrijven hoe je op een veilige manier met een gasbrander kunt werken.
  • uitleggen hoe aardgas wordt gewonnen, bewerkt en over het land verdeeld.
Herhaling:
  • de temperatuur omrekenen van graden Celsius (°C) naar kelvin (K), en omgekeerd.

Slide 5 - Tekstslide

Warmtebronnen
Elektrische warmtebron:     Elektrische energie ➞  warmte
Brandstof als warmtebron: Chemische energie ➞ warmte 

Chemische energie is in een stof is opgeslagen, en is dus om te zetten in andere vormen van energie.


Slide 6 - Tekstslide

verbrandingswarmte
Elke brandstof heeft zijn eigen verbrandingswarmte. 
Dat is de hoeveelheid warmte die een bepaalde hoeveelheid brandstof kan leveren. 

Deze kan bijvoorbeeld gegeven zijn in Joule per gram, joule per kubieke centimeter, Joule per kubieke meter of Megajoule per kilogram

Slide 7 - Tekstslide

Hoeveel energie levert een brandstof? Hier gaan we na de vakantie pas mee rekenen!
Elke stof heeft een verbrandingswarmte.
  • Verbrandingswarmte is een soort energie
  • Is de hoeveelheid warmte-energie die vrijkomt bij het verbranden van  1 gram of 1                 van een bepaalde brandstof. 
  • Eenheid van verbrandgingswarmte is Joule per kubieke centimeter  (               ) 
                of 
       Joule per kilogram (            )

  • Hoe hoger de verbrandingswarmte, hoe meer energie het geeft.
cm3
cm3J
kgJ

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Rekenen aan verbrandingswarmte
Dit is meer inzicht! De formule moet je uit de eenheid halen. Deze staat niet als losse formule in Binas

Verbrandingswarmte = Joule per kg


Verbrandingswarmte(E)=kgJ

Slide 10 - Tekstslide

opdracht
Uit proeven blijkt dat er voor vijf minuten douchen met een waterbesparende douchekop ongeveer 3 MJ warmte nodig is.
Hoeveel m3 aardgas moet daarvoor worden verbrand?
  1.  verbrandingswarmte aardgas 32 MJ/m3 
    Totale verbrandingswarmte = 3 MJ
  2. Hoeveel m3 is er nodig?
  3. Formule haal je uit de eenheid  
  4. INVULLEN!!  en omschrijven                                                   ➞    3/32= 0,09375 m
  5. Er is  0,09375 m3 aardgas nodig voor vijf minuten douchen.



Verbrandingswarmte(E)=m3MJ
32(m3MJ)=Gevraagd(m3)3(MJ)

Slide 11 - Tekstslide

Branddriehoek
  • Ontbrandingstemperatuur: de temperatuur waarbij een brandstof in brand vliegt.

  • als je van de 3 brandvoorwaarden er 1 weghaalt doof je de brand.

Slide 12 - Tekstslide

Soorten vlammen
  • Onvolledige verbranding (gele vlam door 
       gloeiende roetdeeltjes)
       Er ontstaat roet en koolstofmono-oxide 
       door te weinig zuurstof.
koolstofmono-oxide is giftig! Het is een geur- kleur en smaakloos gas, daardoor is het extra gevaarlijk
  • Volledige verbranding (blauwe en 
       kleurloze  vlam)
       Geen rook, meer dan genoeg zuurstof.
       Er ontstaat koolstofdioxide en water.

Slide 13 - Tekstslide

Wanneer gaat het het snelst?
Als alle deeltjes van de brandstof tegelijk verbranden, er is dan precies genoeg zuurstof.

                            Explosie!

Slide 14 - Tekstslide

Volledige en onvolledige verbranding

Volledige verbranding

  • Voldoende zuurstof
  •  Er ontstaat H2O (l) en CO2 (g)


Onvolledige verbranding

  • Onvoldoende zuurstof
  • Er ontstaat CO(g) en/of roet

Slide 15 - Tekstslide

Volledige verbanding aardgas
Als je aardgas mengt met lucht en aansteekt, verbrandt het methaan in het aardgas. 
De stikstof reageert niet. 
Als de hoeveelheid lucht groot genoeg is, verbrandt het methaan volledig. Daarbij ontstaan koolstofdioxide en waterdamp. Het reactieschema is:

                              methaan + zuurstof → koolstofdioxide + water

Slide 16 - Tekstslide

Koolstofmono-oxide
onvoldoende zuurstof ➞  onvolledige verbranding. 
koolstofmono-oxide ontstaat: een reukloos, kleurloos en zeer giftig gas. 

Een verstopte luchttoevoer is dan ook levensgevaarlijk: ieder jaar komen er mensen om het leven door vergiftiging met koolstofmono-oxide.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Volledige verbranding

Slide 19 - Tekstslide

Onvolledige verbranding

Slide 20 - Tekstslide

Duurzame brandstoffen, HV100
100% Hydrotreated Vegetable Oil en wordt ook wel biodiesel of blauwe diesel genoemd. 
Gemaakt uit plantenresten en ander organisch restmateriaal.

Doordat de planten reeds CO2 uit de atmosfeer hebben opgenomen, wordt de uitstoot bij verbranding van de HVO100 gecompenseerd. ‘Well-to-wheel’ is de reductie van (nieuwe) CO2 maar liefst 89 procent.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

6.2 leerdoelen; Je kunt
  • drie voorbeelden geven van warmtebronnen die chemische energie verbruiken.
  • berekeningen uitvoeren met de verbrandingswarmte van een brandstof.
  • het reactieschema van de volledige verbranding van aardgas noteren.
  • uitleggen waarom je bij gastoestellen voor voldoende luchttoevoer moet zorgen.
  • beschrijven hoe je op een veilige manier met een gasbrander kunt werken.
  • uitleggen hoe aardgas wordt gewonnen, bewerkt en over het land verdeeld.
Herhaling:
  • de temperatuur omrekenen van graden Celsius (°C) naar kelvin (K), en omgekeerd.

Slide 23 - Tekstslide

Maak
Paragraaf 6.2
Online test-jezelf
eventueel extra oefeningen met formulewerk

Slide 24 - Tekstslide