Commercieel H4 | Hoe bepaal je de prijs van artikelen? deel 1

H4 Hoe bepaal je de prijs van artikelen?
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

H4 Hoe bepaal je de prijs van artikelen?

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat ga je leren?
  • hoe de bruto-verkoopprijs opgebouwd is
  • de bruto-verkoopprijs te berekenen
  • de netto-verkoopprijs te berekenen
  • de btw te berekenen
  • de bruto-winst te berekenen
  • de netto-winst te berekenen
  • de winst te berekenen
  • hoe prijzen tot stand komen
  • verschillende soorten prijzen te benoemen en te herkennen.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

H4.1 Bruto-verkoopprijs 
= consumentenprijs

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bruto-verkoopprijs
Bruto-verkoopprijs
Netto-verkoopprijs
btw

Er zijn 2 manieren om de 3 bedragen uit te rekenen:
  1. Vanuit de netto-verkoopprijs (bruto-verkoopprijs - btw)
  2. Vanuit de bruto-verkoopprijs (= netto-verkoopprijs + btw)

Slide 5 - Tekstslide

In de bruto-verkoopprijs zit een gedeelte btw (belasting toegevoegde waarde). 
BTW =
  • 0% = goederen van Nederland naar het buitenland
  • 9% = goederen en diensten
  • 21% = dienstverlening en duurzame producten
Bruto-verkoopprijs
Netto-verkoopprijs            100%                        100%
Btw                                 +              9%+        of           21%+
Bruto-verkoopprijs             109%                        121%


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld...
De netto-verkoopprijs van een pot mayonaise is €2,60. Je berekent het btw bedrag en de bruto-verkoopprijs.
1. Btw bedrag berekenen
  • 2,60 : 100 x 21 = €0,55 (121%) of 21 : 100 x 2,60 = €0,55 (121%)
2. Bruto-verkoopprijs berekenen
  • bruto-verkoopprijs = 2,60 + 0,55 = €3,15
3. Bruto verkoopprijs in één keer
  • 2,60/100 x 121 = €3,15

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

H4.2 Netto-verkoopprijs

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Netto-verkoopprijs
Netto-verkoopprijs
Inkoopprijs
brutowinst opslag

Slide 9 - Tekstslide

In de bruto-verkoopprijs zit een gedeelte btw (belasting toegevoegde waarde). 
BTW =
  • 0% = goederen van Nederland naar het buitenland
  • 9% = goederen en diensten
  • 21% = dienstverlening en duurzame producten
Netto-verkoopprijs
Inkoopprijs                                100%                        
Bruto Winst opslag +              40% +               
Netto-verkoopprijs               140%                       


Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld...
De Inkoopprijs van een spijkerbroek €50. De Brutowinstmarge bedraagt 50% van de inkoopprijs.

1. Brutowinstmarge bereken
  • €50 : 100 x 50% = €25 of 50 : 100 x €50 = €25
2. Netto-verkoopprijs berekenen
  • € 50 + € 25 = € 75 


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bruto-omzet
= Alle inkomsten van een bedrijf samen noemen we de bruto-omzet.

bruto-omzet = afzet x bruto-verkoopprijs
= Aantal verkochte artikelen dat in een bepaalde tijd wordt verkocht.
= Prijs met btw. Prijs die de klant betaalt voor een artikel. Dit noemen we ook wel consumentenprijs.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Netto-omzet
= Bedrag (zonder btw) waarvoor in een bepaalde tijd artikelen zijn verkocht.

netto-omzet = afzet x netto-verkoopprijs
= Aantal verkochte artikelen dat in een bepaalde tijd wordt verkocht.
= Prijs, die de klant betaalt, zonder btw.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bruto-winst
= Winst over de artikelen die een bedrijf heeft verkocht. De formule luidt: 

bruto-winst = opbrengst verkopen - kostprijs verkopen

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Netto-winst
= Winst na aftrek van kosten.

Netto-winst = bruto-winst – kosten

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kernbegrippen
- Omzet = afzet x verkoopprijs
- Afzet = aantal verkochte artikelen
- Brutowinst = Omzet - Inkoopwaarde v.d. omzet
- Nettowinst = Bruto winst - bedrijfskosten

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies