Sporten op school

Sporten op school
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Secundair onderwijs

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Sporten op school

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke sporten ken je?

Slide 2 - Woordweb

Geef enkele aanwijzingen aan de leerlingen, antwoorden op woordniveau:
- wanneer?
- wat heb je nodig?
- vind je dit leuk?
- wie is jouw leerkracht sport?
- waar ga je sporten?
Wat weet je over sporten op school?

Slide 3 - Woordweb

Geef enkele aanwijzingen aan de leerlingen, antwoorden op woordniveau:
- wanneer?
- wat heb je nodig?
- vind je dit leuk?
- wie is jouw leerkracht sport?
- waar ga je sporten?
Leerdoelen
  • woorden over sport kennen 
  • basiszinnen in de sportles begrijpen 
  • weten wat je moet meebrengen naar de sportles





ken je sportwoorden,



begrijp je de sportregels, 



kan je basiszinnen in de sportles begrijpen en 



kan je de juiste kledij kiezen.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke sporten ken je?

Slide 5 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

lopen

wandelen

fietsen

voetballen

zwemmen

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Populaire sporten
voetbal
schaatsen
wielrennen
hardlopen

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Populaire sporten
boksen
schaken
volleyball
basketbal

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sporten
tennis
badminton
tafeltennis
biljart

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lopen en wandelen
Lopen is snel bewegen, wandelen is rustig bewegen.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe beweegt de schildpad?
A
De schildpad beweegt mooi.
B
De schildpad beweegt niet.
C
De schildpad beweegt heel snel.
D
De schildpad beweegt rustig.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe rijdt de auto?
A
De auto rijdt rustig.
B
De auto rijdt niet.
C
De auto rijdt heel snel.
D
De auto stopt.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voetballen en gooien
Je voetbalt met een bal. Gooien doe je met de hand, naar een doel of kegel.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zwemmen
Zwemmen doe je in het zwembad. Vergeet je zwemspullen niet!

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de zwembroek 
het zwempak

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kan jij zwemmen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 16 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik
Jij / hij / zij
Wij/jullie / zij
Het werkwoord: zwemmen
zwem
zwemt
zwemmen

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tekst
Tekst
Tekst
1
2
3
4
Ik 
zwem
met mijn
vrienden

Slide 18 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat deed Mr Bean??
A
schaatsen
B
voetballen
C
zwemmen
D
fietsen

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat was Mr Bean kwijt?
A
zijn horloge
B
zijn handdoek
C
zijn zwempak
D
zijn zwembroek

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een uurtabel aflezen.
In deze tabel kan je de openingsuren van het zwembad aflezen. 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

zwempak
zwemband
zwembad
zwembroek

Slide 23 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat neem je mee naar de sportles?
  • de sporttas
  • de t-shirt
  • de sportbroek
  • de sportschoenen 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De sportkleding
Zorg altijd voor schone sportkleding en sportschoenen.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De kleedkamer
Kleed je hier om vóór en na de sportles. Houd het netjes.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar sport je?
binnen
buiten   
in de sportzaal
op het sportveld
Glasblazerslaan
De Verademing

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Links en rechts
In de sportles gebruik je vaak links en rechts. Ken je het verschil?

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op welke dag hebben jullie sport?
A
maandag
B
donderdag
C
woensdag
D
dinsdag

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de dagen van de week in de juiste volgorde. 
maandag 
dinsdag 
woensdag  
donderdag  
vrijdag
zaterdag
zondag

Slide 30 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

De kleuren
Kijk naar de ballen. Welke kleuren zie je?

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke kleuren zie je?
rood
groen
oranje
wit
bruin
grijs
geel
blauw
zwart
paars

Slide 32 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Korte zinnen in de sportles
Beeld uit:
  • gooi de bal
  • ruim op
  • ga links
  • ga rechts
  • kom naar hier
  • loop
  • wandel

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem 3 dingen die je nodig hebt voor de sportles.

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil tussen lopen en wandelen?
A
lopen is snel bewegen
B
wandelen is snel bewegen

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat doe je in het zwembad?
A
fietsen
B
voetballen
C
wandelen
D
zwemmen

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
Links
B
Rechts
C
Rechtdoor
D
Naar boven

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
Links
B
Rechts
C
Rechtdoor
D
Naar boven

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
Links
B
Rechts
C
Rechtdoor
D
Naar boven

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke sporten ken je nu?

Slide 40 - Woordweb

Geef enkele aanwijzingen aan de leerlingen, antwoorden op woordniveau:
- wanneer?
- wat heb je nodig?
- vind je dit leuk?
- wie is jouw leerkracht sport?
- waar ga je sporten?
Wat neem je mee naar de sportles?
A
de sportschoenen
B
de zwemshort
C
de sporttas
D
de zwemspullen

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 3 woorden op die je deze les hebt geleerd

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • woorden over sport kennen 
  • basiszinnen in de sportles begrijpen 
  • weten wat je moet meebrengen naar de sportles





ken je sportwoorden,



begrijp je de sportregels, 



kan je basiszinnen in de sportles begrijpen en 



kan je de juiste kledij kiezen.

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nu over sporten op school?

Slide 45 - Woordweb

Geef enkele aanwijzingen aan de leerlingen, antwoorden op woordniveau:
- wanneer?
- wat heb je nodig?
- vind je dit leuk?
- wie is jouw leerkracht sport?
- waar ga je sporten?