Ongelijkheid en belasting (Economie vwo), les 1: Uitleg

WELVAART · ONGELIJKHEID

Ongelijkheid en belasting

Examenstof economie vwo

1 / 24
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg van ongelijkheid en herverdeling voor vwo: Gini-coëfficiënt en percentielenratio, inkomensmaatstaven en vermogensongelijkheid, nivelleren en denivelleren, uitkeringen en toeslagen, de afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid, belasting (gemiddeld en marginaal tarief, belastingwig, vlaktaks, heffingskorting, vennootschapsbelasting, btw en accijns). Alle tarieven en getallen zijn verzonnen.

Onderdelen in deze les

WELVAART · ONGELIJKHEID

Ongelijkheid en belasting

Examenstof economie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: H4 (4.1 t/m 4.7). Image credit: Erik Wannee / Wikimedia Commons, CC0

WELVAART · ONGELIJKHEID

Wat ga je kunnen?

Ik kan ongelijkheid meten met de Gini-coëfficiënt en de percentielenratio, belasting en de belastingwig berekenen en de afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid uitleggen.

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer vind jij een inkomensverdeling eerlijk? Noem woorden bij ongelijkheid en belasting.

Verwacht: gelijk, rijk en arm, belasting, uitkering, loon, vermogen, erfenis, verdienen, eerlijk. Groepeer in een woordweb: meten van ongelijkheid, herverdelen en belasting. Dat zijn de drie blokken van deze les.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Percentielen van een verzonnen land

Percentielenratio

  • Een percentiel hoort bij een percentage: P90 is het inkomen waar 90% van de inkomens onder ligt.

  • Percentielenratio = inkomen bij het hoge percentiel / inkomen bij het lage percentiel, vaak P90 / P10.

  • Verzonnen land: P10 = 15.000, P50 = 30.000 en P90 = 75.000 euro. P90 / P10 = 5.

  • Een hogere ratio betekent meer ongelijkheid, maar alleen de twee gekozen punten tellen mee.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.1: Gini-coëfficiënt en percentielenratio als maatstaven voor inkomensongelijkheid. Vaardigheid (A2): tabellen met percentielen en decielen. Controle: 75.000 / 15.000 = 5 en 54.000 / 18.000 = 3. De getallen zijn verzonnen. Veelgemaakte fout: de uitkomst als verschil in euro geven (60.000) in plaats van als verhouding, of de ratio omdraaien (P10 / P90). Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

WELVAART · ONGELIJKHEID

Lorenzcurve met oppervlakken A en B (verzonnen)

Gini-coëfficiënt en Lorenzcurve

  • De Gini-coëfficiënt loopt van 0 (iedereen evenveel) tot 1 (één huishouden heeft alles).

  • Basis is de Lorenzcurve. De diagonaal is gelijke verdeling: Gini = oppervlak A / (A + B) = A / 0,5.

  • Voorbeeld: de armste 50% heeft 20% van het inkomen. A bestaat uit twee driehoeken van 0,075.

  • Gini = 0,15 / 0,5 = 0,30. Hoe hoger de Gini-coëfficiënt, hoe groter de ongelijkheid.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.1. De Lorenzcurve is hier alleen de basis voor de Gini-coëfficiënt. Vaardigheid (A2): oppervlaktes arceren en berekenen (alleen driehoek en rechthoek). Controle: de driehoeken hebben basis 0,5 en hoogte 0,30 (0,50 min 0,20), dus 0,5 x 0,5 x 0,30 = 0,075 per driehoek, samen A = 0,15. B = 0,35 (0,05 + 0,30) en A + B = 0,5. Gini = 0,15 / 0,5 = 0,30. Sommige bronnen geven de Gini als percentage (30). Veelgemaakte fout: A niet delen door 0,5, of B als Gini nemen. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

WELVAART · ONGELIJKHEID

Welk inkomen meet je?

  • Huishouden of individu: een huishouden met twee verdieners heeft meer inkomen, maar dat moet voor meer mensen reiken.

  • Arbeidsinkomen of totaal inkomen: totaal inkomen telt ook kapitaalinkomen (rente, dividend, huur) en uitkeringen mee.

  • Primair inkomen is het inkomen voor herverdeling; secundair inkomen is het inkomen na belasting en uitkeringen.

  • De gekozen maatstaf verandert de uitkomst: de Gini-coëfficiënt van het secundair inkomen is meestal lager dan die van het primair inkomen.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.2: Maatstaven voor inkomen kunnen verschillen: huishouden vs. individu; arbeidsinkomen vs. totaal inkomen (inclusief kapitaalinkomen en uitkeringen); primair en secundair inkomen. Laat leerlingen bij een tekst of tabel eerst vaststellen welke maatstaf wordt gebruikt. Veelgemaakte fout: primair en secundair inkomen omdraaien.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Landhuis in Wassenaar

Vermogensongelijkheid

  • Vermogen is bezit min schulden (spaargeld, woning, aandelen) en is een voorraad op één moment.

  • Inkomen is een stroom per jaar. Vermogen is meestal ongelijker verdeeld dan inkomen.

  • Erfenissen en rendement op bezit vergroten de verschillen tussen huishoudens.

  • Belasting op vermogen kan de vermogensongelijkheid verkleinen, maar kan ook het sparen ontmoedigen.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.3: Ongelijkheid van vermogen. Eindterm 4.6 (deel): belasting op vermogen. Dat vermogen ongelijker verdeeld is dan inkomen is voor Nederland vastgesteld door onder meer het CBS; in de les blijft dit kwalitatief, zonder getallen. Veelgemaakte fout: vermogen en inkomen door elkaar halen, of schulden vergeten. Image credit: Rudolphous / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

P10 is 12.000 euro en P90 is 66.000 euro. Wat is de percentielenratio P90 / P10?

A

0,18

B

54.000 euro

C

5,5

D

6,6

66.000 / 12.000 = 5,5. Verwachte fouten: omdraaien (12.000 / 66.000 is ongeveer 0,18), het verschil nemen (54.000) of delen door 10 (6,6).

Vul in

Het secundair inkomen is het inkomen na belasting en uitkeringen. Bij een Gini-coëfficiënt van 0 heeft iedereen evenveel; bij 1 heeft één huishouden alles.

secundair inkomen
0
1
primair inkomen
0,5

Primair is voor herverdeling, secundair erna. De Gini-coëfficiënt loopt van 0 tot 1.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Kantoorgebouw dat in 2020 in gebruik was bij het UWV, dat uitkeringen uitvoert

Nivelleren, uitkeringen en toeslagen

  • Nivelleren verkleint de relatieve inkomensverschillen tussen huishoudens, denivelleren vergroot ze.

  • Verzonnen: Gini 0,45 voor het primair inkomen en 0,32 voor het secundair inkomen: de overheid nivelleert.

  • Een uitkering (WW, bijstand) en een toeslag (huurtoeslag) herverdelen van hoge naar lage inkomens.

  • Ze zijn ook verzekering: ze vangen een inkomensschok op, zoals het verlies van je baan.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.4: Nivelleren en denivelleren: met beleid verkleinen of vergroten van de relatieve inkomensverschillen tussen huishoudens. Eindterm 4.7: Uitkeringen en toeslagen als instrumenten voor herverdeling en verzekering. Het gaat om relatieve verschillen (verhoudingen), niet om gelijke bedragen voor iedereen. Veelgemaakte fout: nivelleren opvatten als iedereen hetzelfde bedrag geven. Image credit: Choinowski / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

WELVAART · ONGELIJKHEID

De afruil: doelmatigheid en rechtvaardigheid

  • Rechtvaardigheid: een eerlijker verdeling van inkomen en vermogen. Doelmatigheid: zoveel mogelijk welvaart uit schaarse middelen.

  • Meer herverdeling maakt de verdeling rechtvaardiger, maar kan de prikkels verkleinen om te werken, te sparen, te scholen en te ondernemen.

  • Er komen ook meer prikkels om te migreren of belasting te ontwijken, bijvoorbeeld door winst naar een ander land te verschuiven.

  • Dan ontstaat een afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid: meer van het een kost iets van het ander.

  • Voorbeeld: bij een hoog marginaal tarief gaan sommige topverdieners minder uren werken, terwijl de verdeling gelijker wordt.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.5: Er kan een afruil zijn tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid als herverdeling van inkomen en vermogen leidt tot minder prikkels voor economische activiteiten, bijvoorbeeld om te werken (uren, participatie, uittreding), te sparen, te scholen, te ondernemen, en tot meer prikkels om te migreren of belasting te ontwijken. Veelgemaakte fout: denken dat herverdeling altijd doelmatigheid kost.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Kinderdagverblijf De Kleine Kikker

Als de afruil er niet is

  • De afruil hoeft niet op te treden als herverdeling de prikkels voor economische activiteit niet verzwakt.

  • Onderwijs: kinderen uit arme gezinnen leren meer, dus talent wordt beter benut.

  • Kinderopvang: ouders kunnen meer werken, dus de arbeidsparticipatie stijgt.

  • Sociale zekerheid: zekerheid bij werkloosheid of ziekte, zodat mensen durven te ondernemen.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.5 (slot): Deze afruil hoeft niet op te treden als herverdeling niet leidt tot minder sterke prikkels voor economische activiteiten (via bijvoorbeeld onderwijs, kinderopvang, sociale zekerheid). Veelgemaakte fout: elke vorm van herverdeling als doelmatigheidsverlies zien. Image credit: Choinowski / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Welke maatregel veroorzaakt waarschijnlijk geen afruil?

A

Een uitkering waardoor werken minder loont

B

Hoge belasting waardoor rijken gaan migreren

C

Gratis kinderopvang waardoor ouders meer werken

D

Een hoger tarief waardoor ondernemers stoppen

Kinderopvang vergroot juist de prikkel en de mogelijkheid om te werken, dus geen afruil. De andere drie verzwakken prikkels (werken, migreren, ondernemen).

Vul in

Beleid dat de relatieve inkomensverschillen verkleint, heet nivelleren; beleid dat ze vergroot, heet denivelleren.

nivelleren
denivelleren
progressief
degressief

Let op: het gaat om relatieve verschillen tussen huishoudens.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Belasting en gemiddeld tarief bij drie inkomens (verzonnen)

Schijven, gemiddeld en marginaal tarief

  • Verzonnen tarief: 20% tot 30.000, 40% van 30.000 tot 80.000 en 55% boven 80.000 (belastbaar inkomen).

  • Bij 100.000 euro: 6.000 + 20.000 + 11.000 = 37.000 euro belasting.

  • Gemiddeld tarief: 37.000 / 100.000 = 37%. Marginaal tarief: het tarief over een extra euro, hier 55%.

  • Progressief: het gemiddeld tarief stijgt met het inkomen (hier 20%, 28%, 37%). Degressief: het daalt.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.6: Gemiddeld en marginaal tarief; progressief/degressief belastingstelsel: gemiddeld tarief stijgt/daalt met inkomen; belasting op inkomen uit arbeid. Het tarief is verzonnen, geen actueel tarief. Controle: 20% x 30.000 = 6.000; 40% x 50.000 = 20.000; 55% x 20.000 = 11.000; samen 37.000. Bij 50.000: 6.000 + 40% x 20.000 = 14.000 (28%). Bij 20.000: 4.000 (20%). Marginaal tarief tussen 50.000 en 100.000: 23.000 / 50.000 = 46%. Veelgemaakte fout: het hoogste tarief over het hele inkomen rekenen (55% x 100.000 = 55.000). Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

WELVAART · ONGELIJKHEID

Vlaktaks van 30% met heffingskorting (verzonnen)

Vlaktaks, heffingskorting en aftrekpost

  • Vlaktaks: één marginaal tarief voor alle inkomens, hier 30% (verzonnen).

  • Met een heffingskorting van 3.000 euro (een vast bedrag minder belasting) stijgt het gemiddeld tarief toch.

  • Gemiddeld tarief: 15% bij 20.000, 24% bij 50.000 en 27% bij 100.000: progressief ondanks één tarief.

  • Een aftrekpost verlaagt het belastbaar inkomen, een bijtelling verhoogt het (zoals een auto van de zaak).

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.6: Vlaktaks: 1 marginaal tarief; heffingskortingen; aftrekposten en bijtellingen. Controle: 30% x 20.000 = 6.000 min 3.000 = 3.000 (15%); 30% x 50.000 = 15.000 min 3.000 = 12.000 (24%); 30% x 100.000 = 30.000 min 3.000 = 27.000 (27%). Een aftrekpost werkt vóór de heffing (op het inkomen), een heffingskorting ná de heffing (op de belasting). Veelgemaakte fout: denken dat een vlaktaks automatisch een gelijk gemiddeld tarief geeft: met een heffingskorting stijgt het gemiddeld tarief. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

WELVAART · ONGELIJKHEID

Belastingwig bij loonkosten van 60.000 euro (verzonnen)

Belastingwig

  • De belastingwig is het verschil tussen de loonkosten van de werkgever en het nettoloon van de werknemer.

  • Verzonnen: loonkosten 60.000, nettoloon 36.000. Wig = 24.000, dat is 40% van de loonkosten.

  • Een grote wig maakt arbeid duur voor werkgevers (minder vraag) en minder lonend voor werknemers.

  • Een hogere belasting op arbeid vergroot de wig en maakt werken minder lonend.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.6: Belastingwig. Vereenvoudigd en verzonnen: brutoloon 50.000 plus 10.000 werkgeverspremies = loonkosten 60.000; de werknemer betaalt 14.000 belasting (zie het tarief van de vorige dia) en houdt 36.000 netto over. Wig = 60.000 min 36.000 = 24.000; 24.000 / 60.000 = 40%. Veelgemaakte fout: de wig alleen als de belasting van de werknemer zien en de werkgeverspremies vergeten. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0

WELVAART · ONGELIJKHEID

Prijskaartjes in een supermarkt: Famila in Beverwijk

Winst, btw en accijns

  • Vennootschapsbelasting is belasting op de winst (omzet min kosten) van bedrijven, zoals 20% (verzonnen).

  • Btw is een percentage van de prijs: 60 euro inclusief 20% btw (verzonnen) is 50 euro plus 10 euro btw.

  • Accijns is een vast bedrag per product, zoals per liter brandstof of per pakje sigaretten, los van de prijs.

  • Indirecte belastingen (btw, accijns) drukken zwaarder op lage inkomens: zij besteden meer van hun inkomen.

Syllabus economie vwo 2027, H4 Ongelijkheid en herverdeling. Eindterm 4.6: Vennootschapsbelasting; indirecte belastingen, zoals de btw en de accijnzen. Alle tarieven zijn verzonnen. Controle btw: 50 x 1,20 = 60, dus 10 euro btw (niet 20% van 60 = 12). Vennootschapsbelasting: bijvoorbeeld 20% x 80.000 winst = 16.000. Bedrijven kunnen winst naar een land met een lager tarief verschuiven: dat is het belasting ontwijken uit eindterm 4.5. Veelgemaakte fout: btw berekenen als percentage van de prijs inclusief btw. Image credit: Bert Verhoeff / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Vlaktaks 30%, heffingskorting 3.000 euro. Gemiddeld tarief bij 40.000 euro?

A

22,5%

B

30%

C

7,5%

D

20%

30% x 40.000 = 12.000 min 3.000 = 9.000. 9.000 / 40.000 = 22,5%. Verwachte fouten: het marginaal tarief noemen (30%), de korting delen door het inkomen (7,5%) of afronden op 20%.

Loonkosten 80.000 euro, nettoloon 52.000 euro. Hoe groot is de belastingwig?

A

52.000 euro

B

132.000 euro

C

80.000 euro

D

28.000 euro

80.000 min 52.000 = 28.000. Verwachte fouten: het nettoloon (52.000) noemen, optellen (132.000) of de loonkosten (80.000) noemen.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Gini en percentielenratio

2

Afruil doelmatigheid en rechtvaardigheid

3

Tarieven en belastingwig

4

Vlaktaks en indirecte belasting

Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.

Moeten hoge vermogens zwaarder belast worden?

Laat leerlingen een standpunt met één argument geven. Goede antwoorden noemen minder vermogensongelijkheid (voor) of minder prikkel om te sparen of meer belasting ontwijken (tegen). Beoordeel de onderbouwing, niet het standpunt.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Begrippen (1/2)

  • Gini-coëfficiënt: Maat voor inkomensongelijkheid van 0 (gelijk) tot 1: oppervlak A / 0,5 bij de Lorenzcurve.

  • percentielenratio: Inkomen bij een hoog percentiel gedeeld door het inkomen bij een laag percentiel, bijvoorbeeld P90 / P10.

  • primair inkomen en secundair inkomen: Primair: voor herverdeling. Secundair: na belasting en uitkeringen.

  • nivelleren en denivelleren: Met beleid de relatieve inkomensverschillen verkleinen (nivelleren) of vergroten (denivelleren).

  • afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid: Meer herverdeling kan prikkels om te werken, sparen, scholen en ondernemen verzwakken.

Deze slide heeft geen instructies

WELVAART · ONGELIJKHEID

Begrippen (2/2)

  • gemiddeld tarief en marginaal tarief: Gemiddeld: belasting / inkomen. Marginaal: extra belasting / extra inkomen.

  • progressief en degressief: Het gemiddeld tarief stijgt (progressief) of daalt (degressief) als het inkomen stijgt.

  • belastingwig: Verschil tussen de loonkosten van de werkgever en het nettoloon van de werknemer.

  • vlaktaks: Belasting met één marginaal tarief voor alle inkomens.

  • heffingskorting, aftrekpost en bijtelling: Heffingskorting: vast bedrag van de belasting af. Aftrekpost: van het inkomen af. Bijtelling: bij het inkomen erbij.

Deze slide heeft geen instructies