Zuid-Amerika: samenleving (Aardrijkskunde vwo), les 2: Examentraining

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Examentraining

Zuid-Amerika: samenleving: zo pak je examenvragen aan

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorAardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining: een Lorenzcurve lezen, verschijnselen vanuit de vijf dimensies analyseren en relaties leggen, met vragen in examenstijl en een stappenplan.

Onderdelen in deze les

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Examentraining

Zuid-Amerika: samenleving: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: ProtoplasmaKid / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over de samenleving van Zuid-Amerika beantwoorden: een Lorenzcurve lezen, verschijnselen vanuit dimensies analyseren en relaties leggen.

Deze slide heeft geen instructies

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is het vraagwoord? Beschrijf, verklaar, leg uit of beargumenteer.

  • 2. Bekijk: wat laten de bron, de curve of de kaart zien? Let op de eenheden.

  • 3. Kies: welke dimensie of welke relatie hoort bij de vraag?

  • 4. Schrijf: een redenering met doordat en daardoor, met een gegeven uit de bron.

Deze slide heeft geen instructies

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Vraagtype 1: Lorenzcurve en Gini lezen

  • Lees af: welk deel van het inkomen heeft de armste groep? Vergelijk met de diagonaal.

  • Let op: de percentages zijn cumulatief, van arm naar rijk.

  • Ver onder de diagonaal betekent grote ongelijkheid en een hoge Gini-coëfficiënt.

  • Vergelijk altijd twee curven of twee landen met elkaar.

Syllabus-vaardigheid: Lorenzcurve lezen. De gegevens in de vragen zijn verzonnen voor de oefening. Veelgemaakte fouten: de percentages niet cumulatief lezen en denken dat het land met het hoogste getal het gelijkst is.

In land X heeft de armste 20% 4% van het inkomen, de rijkste 20% heeft 60%. Wat volgt?

A

De Lorenzcurve valt samen met de diagonaal

B

De Lorenzcurve ligt ver onder de diagonaal

C

De Gini-coëfficiënt van land X ligt dicht bij 0

D

De middenklasse heeft het grootste deel van het inkomen

Goed: de armste groep krijgt veel minder dan haar aandeel (20%), dus de curve zakt onder de diagonaal en de Gini is hoog. Verwachte fout: de tweede optie, door 0 met ongelijk te verwarren.

Zet op volgorde, van meest naar minst gelijke verdeling

1

Land Z: armste helft heeft 10% van het inkomen

2

Land W: armste helft heeft 40% van het inkomen

3

Land Y: armste helft heeft 20% van het inkomen

4

Land X: armste helft heeft 30% van het inkomen

Hoe groter het aandeel van de armste helft, hoe dichter bij de diagonaal en hoe lager de Gini-coëfficiënt. Land W is dus het gelijkst. Verwachte fout: de volgorde omkeren. Gegevens zijn fictief.

Villa 31, een zelfbouwwijk in Buenos Aires, dronebeeld uit 2025

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Vraagtype 2: analyseren vanuit dimensies

  • De vijf dimensies: natuur, economie, politiek, sociaal-cultureel en demografie.

  • Benoem bij een verschijnsel eerst de dimensie en geef dan een kenmerk uit de bron.

  • Een goed antwoord gebruikt minstens twee dimensies en laat zien hoe ze samenhangen.

  • Op de foto: de zelfbouwwijk Villa 31 in Buenos Aires.

Syllabus-vaardigheid: deelgebieden vanuit verschillende dimensies analyseren. Veelgemaakte fout: een dimensie noemen zonder kenmerk uit de bron, of de dimensie verwarren met het verschijnsel (bijvoorbeeld 'gated community' als dimensie noemen). Image credit: ProtoplasmaKid / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Het aantal inwoners van een stad groeit door trek van het platteland. Welke dimensie?

A

Economie

B

Politiek

C

Natuur

D

Demografie

Goed: bevolkingsgroei en migratie horen bij demografie. Verwachte fout: economie, omdat mensen voor werk verhuizen. Dat is de oorzaak, de bevolkingsgroei zelf is demografisch.

Vergelijk favela en gated community op twee dimensies.

Kies een economisch en een sociaal-cultureel verschil. Goed antwoord: economisch bijvoorbeeld inkomen en eigendom (formele woning tegenover zelfbouw, informeel tegenover formeel werk); sociaal-cultureel bijvoorbeeld veiligheid, voorzieningen en sociale afstand tussen de bewoners. Verwachte fout: twee keer dezelfde dimensie noemen.

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Vraagtype 3: relaties leggen

  • Verticaal: een keten van oorzaak naar gevolg, bijvoorbeeld van grondstofprijs naar overheidsuitgaven.

  • Horizontaal: patronen die op dezelfde plaats of in dezelfde tijd samenvallen, zoals armoede en kleine boerenbedrijven.

  • Gebruik woorden als doordat, waardoor en daarom om elke stap te laten zien.

  • Controleer of elke stap echt volgt uit de vorige.

Syllabus werkwijze: relaties leggen tussen fysische, sociaal-culturele, economische, demografische en politieke spreidingspatronen en processen. Veelgemaakte fout: twee kenmerken naast elkaar noemen zonder de verbindende stap.

Welke relatie verklaart de grote informele sector in steden het best?

A

Hoge belastingen trekken bedrijven naar de stad

B

Stadsbewoners hebben liever geen vast contract

C

De informele sector betaalt altijd meer loon

D

Trek naar de stad geeft meer werkzoekenden dan banen

Goed: een relatie tussen demografie (verstedelijking) en economie (te weinig formele banen). Verwachte fout: de derde optie, een aanname zonder verband met de uitleg.

Waarom blijven kansen ongelijk?

Goed antwoord: verschillen in onderwijs, netwerk en woonplaats; kinderen uit arme wijken beginnen met een achterstand, doordat daardoor hun kans op een formele baan kleiner is. Verwachte fout: alleen herhalen dat er verschillen zijn, zonder de oorzaak.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Lorenzcurve en Gini lezen

2

Analyseren vanuit dimensies

3

Relaties leggen

4

Verklaren en beargumenteren

Deze slide heeft geen instructies

ZUID-AMERIKA · SAMENLEVING

Tips voor op het examen

  • Schrijf bij Lorenzcurve-vragen eerst de cijfers uit de bron op, daarna je redenering.

  • Noem bij elke dimensie een kenmerk uit de bron, niet alleen de naam.

  • Een relatie heeft minstens twee schakels: doordat, waardoor, daarom.

  • Lees het vraagwoord: beschrijven vraagt iets anders dan verklaren.

Deze slide heeft geen instructies