Verwijswoorden / persoonlijkvoornaamwoord

Verwijswoorden

Persoonlijk voornaamwoord

1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nieuwe lesbewerkerTaalISK

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Verwijswoorden

Persoonlijk voornaamwoord

Persoonlijk voornaamwoord gebruik je om iets wat in

de vorige zin staat te benoemen.


  • Hiermee hoef je niet in elke zin hetzelfde woord te herhalen.


  • Bijv: De schoenen die ik in de winkel zag zijn erg mooi en ze lopen heel erg lekker. Ze waren maar 50 euro


  • In plaats van: De schoenen die ik de winkel zag zijn erg mooi en de schoenen lopen heel erg lekker. De schoenen waren maar 50 euro.


! we gebruiken deze regels alleen voor dingen !!

  • Je gebruikt het persoonlijk voornaamwoord om te verwijzen naar mensen of dingen.

Voor mensen:

Man = hij / hem / (zijn)

Vrouw = ze / zij / (haar)

Meervoud = ze / hun / hen

Voor dingen:

De-woord = hij

Het-woord = het

Meervoud = ze / hun / hen

Uitzondering!


Dat = situatie

Daar = Plaats / plek

Mannelijk = hij


gebruik je voor mannelijke personen.


  • De man van mijn zus is erg stoer, maar hij is ook lief.


  • De man, de jongen, de kerel (etc.) = hij

Vrouwelijk = ze / zij


gebruik je voor vrouwelijke personen.


  • Mijn zus heeft gestudeerd, ze is erg slim.


  • Vrouw, meisje, zus, tante (etc.)

Meervoud = ze


gebruik je voor groepen.


  • De voetballers hadden erg honger. Na de wedstrijd aten ze 40 frikandellen


  • De jongens, de meisjes, de teams etc.

Hij


gebruik je voor de woorden.


  • De hond van mijn zus is al erg oud, maar hij is erg lief.


  • De hond = hij

Het


gebruik je voor het woorden.


  • Het huis is erg groot, maar het moet nog verbouwd worden.


  • Het huis = het

Ze


gebruik je voor het meervoud (+).


  • De bananen zijn niet meer lekker. Ze zijn al helemaal bruin.


  • De bananen = ze

Uitzondering!


Dat = situatie

Daar = Plaats / plek


Het boek was erg leuk. Dat had ik niet verwacht.


Op school zijn lekkere banken. Daar kun je op chillen.

Nu gaan we oefenen:


  1. Pak je wisbordje en een stift.


  1. Schrijf het antwoord op.


  1. Hou het bordje omhoog.

De fiets heeft een lekke band. _____ is stuk.



hij/ze/het

hij

De stoelen zitten lekker, maar ik vind ____ niet mooi.


hij/ze/het

ze

Het bord is zo ver weg, ik kan _____ niet lezen.


hij/ze/het

het

Het kopje is leeg. Ruim jij ___ even op?

het

De tv staat uit. ___ heeft al de hele dag aangestaan.

hij

De koekjes waren zo lekker dat ___ nog geen uur op tafel hebben gestaan.

ze


Text