Woordsoorten herhaling H1 + 2 nieuw H3

Woordsoorten
Herhaling hoofdstuk 1 en 2, theorie hoofdstuk 3
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Woordsoorten
Herhaling hoofdstuk 1 en 2, theorie hoofdstuk 3

Slide 1 - Tekstslide

Planning:
- Herhaling lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord.
- Uitleg + oefenen bijvoeglijk naamwoord.

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen:
- Je weet wat de kenmerken van lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden zijn.
- Je kunt lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden in een zin benoemen.

Slide 3 - Tekstslide

Welke lidwoorden kent het Nederlands?

Slide 4 - Open vraag

Het bepaald lidwoord (de/het) verwijst naar een willekeurig zelfstandig naamwoord.
Waar!
Niet waar!
Geen idee...

Slide 5 - Poll

Kenmerken zelfstandig naamwoord

Slide 6 - Woordweb

Wat is een werkwoord?

Slide 7 - Open vraag

werkwoord
lidwoord
zelfstandig naamwoord
de
het
schaatsen
uitleggen
China
school
boekje
een
corrigeren

Slide 8 - Sleepvraag

Bijvoeglijk naamwoord

Slide 9 - Woordweb

Bijvoeglijk naamwoord:
- Afkorting bn
- Zegt iets over een zelfstandig naamwoord
- Gewone bijvoeglijke naamwoorden en stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden (= materialen)

Voorbeelden: De aardige jongen. De houten stoel. 

Slide 10 - Tekstslide

Kenmerken bijvoeglijk naamwoord:

- Staat meestal vóór het zelfstandig naamwoord (maar heel soms erachter).
- Heeft een korte en een lange vorm (+e).
- Kent de trappen van vergelijking.
- Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord heeft één vorm (vaak op   -en).

Slide 11 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden van werkwoorden:

Van een voltooid deelwoord of tegenwoordig deelwoord kun je een bijvoeglijk naamwoord maken. In dit geval benoem je het dan ook als bijvoeglijk naamwoord.
Voorbeeld:  lachend (tegenwoordig deelwoord) --> de lachende (bn) jongen
gebakken (voltooid deelwoord) --> de gebakken (bn) peren

Slide 12 - Tekstslide

Welke bijvoeglijke naamwoorden staan er in deze zin?: De kleine, rode auto is kapot.

Slide 13 - Open vraag

"Moeilijk" in de zin "De vraag is moeilijk." is een bijvoeglijk naamwoord.
Dat klopt!
Dat is fout!
Geen idee...

Slide 14 - Poll

Aan de slag!:
Maak opdrachten 3, 5 en 6.

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 3:
1. kort, stenen
2. trotse, reusachtig, bekende
3. grote, Belgische
4. warme, koude
5. chique, zijden
6. langer
7. moderne, kleurige
8. goede, oude

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht 5:
1. Britse = bn, schrijver = zn, houdt = ww, wolken  = zn
2. de = lw, natuur = zn, schoonheid = zn, schrijft = ww, de = lw, Wolkengids = zn
3. Gavin = zn, spelbrekers = zn, een = lw, perfecte = bn, zomerdag = zn
4. moest = ww, opstaan = ww
5. bijzondere = bn, club = zn


Slide 17 - Tekstslide

Opdracht 5:
6. enthousiaste = bn, zetten = ww, foto's = zn, wolkenpartijen = zn
7. kennis = zn
8. meedoen = ww, verkiezing = zn, de = lw
9. besteden = ww, zijn = ww, mooi = bn


Slide 18 - Tekstslide

Opdracht 6:
1. blw, bn, zn, ww            5. bn, bn, zn, ww
2. bn, ww, zn, ww            6. bn, ww, bn
3. blw, bn, bn, zn, zn      7. bn, ww, zn, blw
4. zn, olw, bn, zn             8. bn, ww, blw, bn, zn

Slide 19 - Tekstslide

Heb je de leerdoelen gehaald?:
- Je weet wat de kenmerken van lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden zijn.
- Je kunt lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden in een zin benoemen.
Jazeker!
Nee, nog niet.
Geen idee...

Slide 20 - Poll