PLANTEN · VOORTPLANTING
Voortplanting van zaadplanten
Examenstof biologie vmbo
PLANTEN · VOORTPLANTING
Voortplanting van zaadplanten
Examenstof biologie vmbo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/K/12, specificatie 6 en 7. Image credit: Debivort / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
PLANTEN · VOORTPLANTING
Wat ga je kunnen?
Ik kan de levenscyclus van een zaadplant beschrijven, bestuiving en bevruchting uitleggen en voorbeelden van overwinteren en voortplanting herkennen.
Deze slide heeft geen instructies
Waar denk je aan bij het woord voortplanting bij planten?
Verwacht: bloemen, zaden, bijen, vruchten, zaaien, bollen, aardappels. Koppel de woorden aan de les: bloemen en zaden horen bij geslachtelijke voortplanting, bollen en knollen bij ongeslachtelijke voortplanting. Veelgemaakte fout: denken dat een bloem zelf al een zaad is. Er is eerst bestuiving en bevruchting nodig.
De levenscyclus van een zaadplant (schema)
PLANTEN · VOORTPLANTING
De levenscyclus van een zaadplant
Een zaadplant doorloopt een levenscyclus: ontkieming, groei, bloei en de vorming van vruchten met zaden.
Bij ontkieming groeit het kiempje in een zaad uit tot een jonge plant.
De plant groeit en gaat daarna bloeien.
Na bestuiving en bevruchting ontstaan vruchten met zaden. Dan begint de cyclus opnieuw.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (BB, KB, GT): stadia in de levenscyclus van zaadplanten met geslachtelijke voortplanting noemen: ontkieming, groei en bloei, bestuiving en bevruchting, een vrucht met zaden. Laat leerlingen de kring met de klok mee navertellen. Bij een eenjarige plant begint de cyclus elk jaar opnieuw uit een zaad. Veelgemaakte fout: bestuiving en bevruchting als een stap zien. Dat komt op een van de volgende dia's terug. Image credit: Eigen afbeelding
Een boon in zes stadia, van zaad tot jonge plant
PLANTEN · VOORTPLANTING
Ontkieming
Een zaad kan ontkiemen met water, zuurstof en een geschikte temperatuur.
Het zaad neemt water op en zwelt. Daarna breekt de wortel door de zaadhuid.
Dan groeit de stengel omhoog en komen de eerste blaadjes. De reservestoffen in het zaad geven energie.
Op de foto zie je een boon in zes stadia, van zaad tot jonge plant.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (BB, KB, GT): ontkieming. De bouw van een zaad (zaadhuid, kiempje, reservestoffen) is in de les over de bouw van zaadplanten behandeld. Hier gaat het om het proces. Het zaad op de foto is een droge boon, daarna volgen de stadia van links naar rechts. Veelgemaakte fout: denken dat een zaad licht nodig heeft om te ontkiemen. Water, zuurstof en een geschikte temperatuur zijn de voorwaarden. De reservestoffen leveren de energie tot de bladeren zelf energierijke stoffen maken. Image credit: B. Domangue / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
PLANTEN · VOORTPLANTING
Groei en bloei
Na de ontkieming groeit de plant: de wortels, de stengel en de bladeren worden groter.
De bladeren maken door fotosynthese energierijke stoffen die de plant nodig heeft om te groeien.
Is de plant groot genoeg? Dan gaat de plant bloeien: er komen bloemen.
In de bloemen vindt de voortplanting plaats: daar ontstaan na bestuiving en bevruchting de zaden.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (BB, KB, GT): groei en bloei als stadia. De bouw van de bloem staat in de les over de bouw van zaadplanten. Veelgemaakte fout: denken dat een plant meteen na het ontkiemen gaat bloeien. Eerst is er groei. Eenjarige planten bloeien een keer, tweejarige planten zoals de peen bloeien pas in het tweede jaar.
Zet de stadia van een zaadplant op volgorde
Volgorde: ontkieming, groei, bloei, vorming van vruchten met zaden. Verwachte fout: bloei voor groei zetten.
Wat gebeurt er bij de ontkieming van een zaad?
Stuifmeel komt op de stempel van een bloem
De plant vormt bloemen met een stamper
Het zaad groeit uit tot een vrucht
Het kiempje groeit uit tot een jonge plant
Bij ontkieming groeit het kiempje uit tot een jonge plant. Verwachte fout: de tweede optie kiezen, want bloemen komen pas na de groei.
Een bij met stuifmeel aan de poten in een roos
PLANTEN · VOORTPLANTING
Bestuiving
Bestuiving is het overbrengen van stuifmeel van een helmknop naar een stempel.
Het stuifmeel zit in stuifmeelkorrels op de helmknoppen van de meeldraden.
De stempel van de stamper vangt het stuifmeel op. Wind of dieren, zoals bijen, brengen het stuifmeel over.
Op de foto zit stuifmeel aan de poten van een bij in een roos.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (BB, KB, GT): bestuiving. Windbloemen en insectenbloemen zijn in de les over determineren en aanpassingen behandeld, dus hier niet opnieuw uitwerken. De bij op de foto draagt oranje stuifmeel mee aan de poten. Veelgemaakte fout: bestuiving en bevruchting door elkaar halen. Bij bestuiving komt het stuifmeel alleen op de stempel. Image credit: Debivort / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Bestuiving en bevruchting in een bloem (schema)
PLANTEN · VOORTPLANTING
Bevruchting
Een stuifmeelkorrel op de stempel groeit uit tot een stuifmeelbuis.
De stuifmeelbuis groeit door de stijl naar het zaadbeginsel in het vruchtbeginsel.
In het zaadbeginsel zit een eicel. Een kern uit de stuifmeelbuis versmelt met de eicel.
Dat versmelten is de bevruchting. Bestuiving en bevruchting zijn twee aparte stappen.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (BB, KB, GT): bestuiving en bevruchting. Het schema is vereenvoudigd: de bloem heeft twee zaadbeginsels en een stuifmeelbuis loopt naar een eicel. Echte bloemen hebben vaak meer zaadbeginsels, elk met een eigen eicel en eigen stuifmeelbuis. De roze pijl laat zien waar het stuifmeel vandaan komt. Veelgemaakte fout: denken dat bevruchting op de stempel gebeurt. De bevruchting vindt plaats in het zaadbeginsel. Image credit: Eigen afbeelding
Na de bevruchting: van vruchtbeginsel naar vrucht (schema)
PLANTEN · VOORTPLANTING
Van bloem naar vrucht
Na de bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot een vrucht.
Uit elk bevrucht zaadbeginsel ontstaat één zaad.
Uit de bevruchte eicel ontstaat het kiempje in het zaad.
Voorbeeld: een peul is een vrucht. De erwten in de peul zijn zaden.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (BB, KB, GT): een kiempje uit een bevruchte eicel en een vrucht met zaden uit een vruchtbeginsel. Alleen KB/GT (specificatie 6): het zaad ontstaat uit het zaadbeginsel. BB-leerlingen hoeven dat niet te kennen, maar het schema laat het vanzelf zien. Het schema is vereenvoudigd: een vrucht kan veel meer zaden hebben. Veelgemaakte fout: denken dat het zaad uit het vruchtbeginsel ontstaat. Het vruchtbeginsel wordt de vrucht, de zaadbeginsels worden de zaden. Image credit: Eigen afbeelding
Wat is bestuiving?
Een eicel versmelt met een kern uit stuifmeel
Stuifmeel komt van een helmknop op een stempel
Een zaad groeit uit tot een jonge plant
Het vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht
Bestuiving is het overbrengen van stuifmeel naar de stempel. Verwachte fout: de eerste optie kiezen, dat is de bevruchting.
Vul in
Een stuifmeelkorrel op de stempel groeit uit tot een stuifmeelbuis. Die groeit door de stijl naar het zaadbeginsel.
De stuifmeelbuis groeit door de stijl naar het zaadbeginsel. Verwachte fout: stempel invullen bij de tweede opening, want daar begint de stuifmeelbuis.
PLANTEN · VOORTPLANTING
Overwinteren
In de winter is het koud en kan de plant weinig water opnemen. Planten overwinteren op vier manieren.
Als zaad: de hele plant sterft af en alleen de zaden blijven over, zoals bij de klaproos.
Alleen de bovengrondse delen sterven af: wat in de grond zit blijft leven, zoals de bol van een tulp.
Reservestoffen in de wortels: de dikke wortel slaat reservestoffen op, zoals bij de peen.
Blijvende bovengrondse delen: stam en takken blijven staan, met of zonder bladeren (volgende dia).
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (alleen KB/GT): aspecten van het overwinteren van een plant: als zaad, alleen afsterven van de bovengrondse delen, opslag van reservestoffen in de wortels, met blijvende bovengrondse delen met of zonder bladeren. BB-leerlingen hoeven het overwinteren niet te kennen. Overwinteren betekent dat een plant de koude winter overleeft. De vier manieren overlappen soms in een voorbeeld: bij de peen sterven de bladeren af en blijft de wortel over. Het kenmerk dat de manier bepaalt is wat de plant in de winter bewaart: zaden, een ondergronds deel, een dikke wortel met reservestoffen of de takken.
Een eik zonder bladeren in de winter
PLANTEN · VOORTPLANTING
Blijvende bovengrondse delen
Bomen en struiken houden in de winter hun bovengrondse delen: stam, takken en knoppen.
Een eik verliest in de herfst de bladeren. Zonder bladeren verdampt er in de winter weinig water.
Hulst, klimop en dennen houden hun bladeren of naalden in de winter.
In het voorjaar lopen de knoppen uit en groeit de plant door.
Syllabus BI/K/12, specificatie 6 (alleen KB/GT): overwinteren met blijvende bovengrondse delen, met of zonder bladeren. De eik is een voorbeeld zonder bladeren, hulst een voorbeeld met bladeren. Veelgemaakte fout: denken dat een kale boom dood is. De boom leeft en bewaart de knoppen voor het voorjaar. Image credit: CopyrightFreePhotos / Wikimedia Commons, publiek domein
Een aardappelknol met nieuwe scheuten
PLANTEN · VOORTPLANTING
Geslachtelijk en ongeslachtelijk
Geslachtelijke voortplanting gaat met bloemen en zaden: er is bestuiving en bevruchting.
Ongeslachtelijke voortplanting: een nieuwe plant groeit uit een deel van de oude plant.
Dan is geen bloem, bestuiving of bevruchting nodig.
Voorbeelden zijn bollen en knollen. Op de foto groeien scheuten uit een aardappelknol.
Syllabus BI/K/12, specificatie 7: aan de hand van voorbeelden geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting herkennen (BB) en toelichten (alleen KB/GT). De bouw van bol en knol staat in de les over de bouw van zaadplanten. Hier gaat het om het verschil: wel of geen bevruchting. Veelgemaakte fout: denken dat elke nieuwe plant uit een zaad komt. Een nieuwe plant uit een knol of bol is niet uit een zaad ontstaan. KB/GT-leerlingen moeten kunnen toelichten waarom bij ongeslachtelijke voortplanting geen bestuiving nodig is. Image credit: Spiritia / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een plant sterft in de herfst af en laat alleen zaden achter. Hoe overwintert de plant?
Als zaad dat in de grond de winter overleeft
Alleen de bovengrondse delen sterven af
Met reservestoffen in de wortels
Met blijvende bovengrondse delen
De hele plant sterft af, alleen de zaden blijven over: overwinteren als zaad. Verwachte fout: alleen de bovengrondse delen sterven af kiezen. Dan blijft er ook iets van de plant zelf in de grond.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Levenscyclus en ontkieming
Bestuiving en bevruchting
Van bloem naar vrucht
Overwinteren en voortplanting
Gebruik de uitslag om te bepalen welk onderdeel je de volgende les nog eens met een voorbeeld doorloopt.
Welke plant in jouw buurt overwintert, en hoe?
Reflectievraag zonder vast goed antwoord. Laat leerlingen een plant uit hun omgeving kiezen en de manier van overwinteren benoemen. Verzamel de voorbeelden voor een korte klassikale terugblik.
PLANTEN · VOORTPLANTING
Begrippen (1/2)
ontkieming: Het kiempje in een zaad groeit uit tot een jonge plant.
bestuiving: Stuifmeel komt van een helmknop op een stempel.
bevruchting: Een kern uit de stuifmeelbuis versmelt met een eicel in het zaadbeginsel.
kiempje: Ontstaat uit de bevruchte eicel en groeit later uit tot een nieuwe plant.
zaadbeginsel: Zit in het vruchtbeginsel, bevat een eicel en wordt na bevruchting een zaad.
Deze slide heeft geen instructies
PLANTEN · VOORTPLANTING
Begrippen (2/2)
vruchtbeginsel: Onderste deel van de stamper, wordt na bevruchting een vrucht.
vrucht: Ontstaat uit het vruchtbeginsel en bevat een of meer zaden.
overwinteren: De koude winter overleven: als zaad, met een ondergronds deel, met reservestoffen in de wortels of met blijvende bovengrondse delen.
geslachtelijke voortplanting: Voortplanting met bloemen, bestuiving, bevruchting en zaden.
ongeslachtelijke voortplanting: Een nieuwe plant groeit uit een deel van de oude plant, zonder bevruchting.
Deze slide heeft geen instructies