La semaine 48 répéter

Bonjour et bienvenue!
Comment ça va?
C'est quelle date aujourd'hui?

1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Bonjour et bienvenue!
Comment ça va?
C'est quelle date aujourd'hui?

Slide 1 - Tekstslide

La semaine 48:                                                                                        
lundi mardi et mercredi, le vingt-neuf, le trente  novembre et el premier décembre       


Deze week doen we: 
- Lundi: herhalen.. vragen stellen

- Mardi: herhalen, extra opdrachten
- Mercredi: Luistervaardigheid oefenen

Slide 2 - Tekstslide

Le but du cours: 
Objectif du cours:
Aan het einde van de les ben je klaar voor de toets

Slide 3 - Tekstslide

UNITÉ 2
woordjes
pouvoir
bezittelijk voornaamwoord
klok

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

noem alle bezittelijk
voornaamwoorden
(in het Frans)

Slide 6 - Woordweb

m - v- mv ?
Hoe weet je nu of je
mannelijk, vrouwelijk of meervoud 
moet gebruiken?

Regarde, c'est ....... copine. (mijn)
        bezittelijk voornaamwoord
                           mannelijk        vrouwelijk    meervoud
mijn                      mon                  ma                mes
jouw                     ton                     ta                  tes
zijn / haar            son                    sa                  ses
ons, onze           notre                notre            nos
jullie, uw            votre                votre             vos
hun                      leur                   leur               leurs

Slide 7 - Tekstslide

m  - v - mv ?
Hoe weet je nu of je
mannelijk, vrouwelijk of meervoud 
moet gebruiken?

Regarde, c'est ....... copine. (mijn)

Slide 8 - Tekstslide

let op: klinkerregel!
l'école = vrouwelijk

_______ école s'appelle Rodenborch.   (mijn)


Slide 9 - Tekstslide

Hoe werkt de 'klinker-regel' bij
bezittelijk voornaamwoorden?

Slide 10 - Open vraag

Hoe vertaal je:
"mijn kinderen"?
A
mon enfant
B
ma enfant
C
mes enfants
D
tes enfants

Slide 11 - Quizvraag

Hoe vertaal je:
"zijn recept" (=> la recette)
A
son recette
B
sa recette
C
notre recette
D
leur recette

Slide 12 - Quizvraag

Hoe vertaal je:
"ons doel"?
A
notre but
B
nos but
C
votre but
D
son but

Slide 13 - Quizvraag

Hoe vertaal je:
"jouw idee"? (=> idée = vrl)
A
ta idée
B
ton idée
C
sa idée
D
notre idée

Slide 14 - Quizvraag

Hoe zeg je:
"hun fietsen"
A
ses vélos
B
vos vélos
C
leur vélos
D
leurs vélos

Slide 15 - Quizvraag

Hoe vertaal je:
"zijn oma"?
A
sa grand-mère
B
son grand-mère
C
ta grand-mère
D
la grand-mère

Slide 16 - Quizvraag

vertaal:
zijn stem (la voix)

Slide 17 - Open vraag

vertaal:
jouw vriendschap => amitié (v)

Slide 18 - Open vraag

vertaal:
jullie vrienden => ami (m)

Slide 19 - Open vraag

pouvoir
kunnen, mogen

Slide 20 - Tekstslide

noem alle vormen
van 'pouvoir'
(+onderwerp)

Slide 21 - Woordweb

Vous ____ venir à la fête?
(pouvoir)

Slide 22 - Open vraag

Madame, je ____ aller aux toilettes?
(pouvoir)

Slide 23 - Open vraag

Les enfants ____ manger des bonbons.
(pouvoir)

Slide 24 - Open vraag

wij kunnen

Slide 25 - Open vraag

jij kan

Slide 26 - Open vraag

Slide 27 - Video

Quelle heure est-il?
Geef antwoord op de vraag hoe laat het is,
begin je zin altijd met  
[ Il est ]
en sluit af met een 
[  .  ]

Slide 28 - Tekstslide

Quelle heure est-il?

Slide 29 - Open vraag

Quelle heure est-il?

Slide 30 - Open vraag

Quelle heure est-il?

Slide 31 - Open vraag

Quelle heure est-il?

Slide 32 - Open vraag

Quelle heure est-il?

Slide 33 - Open vraag

Quelle heure est-il?

Slide 34 - Open vraag

Slide 35 - Tekstslide

Weekprogramma: Kies uit ...
1. Extra oefenen: mk : menu au choix grammaire 1 et 2 - deze moet in ieder geval. Je bepaalt zelf wanneer en of je het tijdens les doet, zodat je me vragen kunt stellen of als HW
2. Oefenen werkwoorden: verbuga.nl: savoir, aller, faire (futur)
3. Leren woorden:  Quizlet en daarna formatieve toets (vertel mij als je dit gaat doen)
4. Planning maken, samenvatting, leren
5. Diagnostische toets maken  - deze moet ook, in ieder geval 


Slide 36 - Tekstslide