H5 - Feit, mening, argument en conclusie

Leesvaardigheid H5
  • feit
  • mening 
  • argument 
  • conclusie


1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Leesvaardigheid H5
  • feit
  • mening 
  • argument 
  • conclusie


Slide 1 - Tekstslide

FEIT

  • iets wat waar of niet waar is
  • kun je controleren



Voorbeeld:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.


Slide 2 - Tekstslide

MENING (STANDPUNT)

  • wat iemand ergens van vindt
  • niet controleerbaar
  • eens of oneens 
  • signaalwoorden: ik vind, volgens mij, naar mijn mening...

Voorbeeld:

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen.

Slide 3 - Tekstslide

ARGUMENT (REDEN)

  • een uitleg waarmee je een mening verdedigt
  • signaalwoorden: want, namelijk, omdat, immers...



Voorbeeld:

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening), want dan leren zij met geld omgaan (argument).

Slide 4 - Tekstslide

CONCLUSIE

  • als alle argumenten (redenen) zijn gegeven
  • korte herhaling van meningen en argumenten.
  • signaalwoorden: dus, concluderend, dat betekent...



Voorbeeld:

Het is dus goed dat jongeren kleedgeld krijgen, want dan leren zij met geld omgaan.

Slide 5 - Tekstslide

Beantwoord nu de volgende vragen.

Slide 6 - Tekstslide

Een mening is hetzelfde als een standpunt.
A
Goed
B
Fout

Slide 7 - Quizvraag

Met een standpunt ben je het altijd eens.
A
Goed
B
Fout

Slide 8 - Quizvraag

Een argument legt uit waarom je iets vindt.
A
Goed
B
Fout

Slide 9 - Quizvraag

Aan welke signaalwoorden kun je een argument herkennen?

A
want, namelijk
B
namelijk, daardoor
C
want, zodat
D
zodat, daardoor

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het argument in de volgende zin?

Te veel chips eten is slecht voor je gezondheid, dus iedereen moet chips met mate eten.
A
Dus
B
Te veel chips is slecht voor je gezondheid
C
Iedereen moet chips met mate eten
D
Er is geen argument

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het standpunt in de volgende zin?

Mijn docent zeurt te veel, want ik krijg er hoofdpijn van.
A
Er is geen standpunt.
B
ik krijg er hoofdpijn van
C
want
D
mijn docent zeurt te veel

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het standpunt in de volgende zin?

Je moet je warm kleden als je de deur uitgaat, want de temperatuur komt vandaag niet boven nul.
A
de temperatuur komt vandaag niet boven nul
B
Er is geen standpunt.
C
want
D
je moet je warm kleden als je de deur uitgaat

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het argument in de volgende zin?

Die documentaire lijkt me echt iets voor jou, jij bent immers weg van natuurfilms.
A
jij bent immers weg van natuurfilms
B
die documentaire lijkt me echt iets voor jou
C
immers
D
er is geen argument

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het standpunt in de volgende zin?

Ik bestel liever een een pizza bij een koerier, want 'm zelf maken kost vet veel tijd.
A
want
B
ik bestel liever een pizza bij een koerier
C
'm zelf maken kost vet veel tijd
D
er is geen standpunt

Slide 15 - Quizvraag

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 16 - Tekstslide

In welke alinea('s) kun je de mening van de schrijver lezen?
A
alinea 1
B
alinea 2
C
in alinea 1 en 2

Slide 17 - Quizvraag

In alinea 2 staat 'Ik vind dat'.
Dit is een signaalwoord voor het geven van een mening.
Welke ander signaalwoord voor mening staat ook in alinea 2?

Slide 18 - Open vraag

De schrijver zegt: 'Ik vind dat de hond direct in beslag moet worden genomen'.

Welk argument (reden) geeft hij hiervoor?

Slide 19 - Open vraag

De schrijver zegt: 'Een pittig gesprek is volgens mij een slecht plan'.

Welk argument (reden) geeft hij hiervoor?

Slide 20 - Open vraag

Huiswerk
H5 LEZEN - startopdracht en opdracht 1  (blz. 124 t/m 126) 

Slide 21 - Tekstslide