3.2: verspreiding christendom V-M

Jacques Vigderhaus
Geboren op 14 september 1933 in Parijs. 

Vermoord in juni 1943 in de gaskamer in Auschwitz. 


1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijleerMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Jacques Vigderhaus
Geboren op 14 september 1933 in Parijs. 

Vermoord in juni 1943 in de gaskamer in Auschwitz. 


Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Programma
  1. Kennismaking (10 min.)
  2. Terugblikvraag (10 min.)
  3. Uitleg: verspreiding christendom (15 min.)
  4. Controlevragen + pauze (20 min.) 
  5. Voorbereiding op de volgende les (rest van de les)

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen 
1. Je kunt uitleggen waardoor het christendom na het einde van het West-Romeinse Rijk een terugval doormaakte.
2. Je kunt beschrijven hoe het christendom zich in de vroege Middeleeuwen over Europa verspreidde
3. Je begrijpt het wederzijdse belang dat vorsten en geestelijken hadden bij samenwerking.

Slide 5 - Tekstslide

Keuzemenu 
Keuze 1: Doe mee met het reguliere programma van de les. 

Keuze 2: Gaan zelfstandig aan de slag (in stilte) 
- Lees 3.2 goed door 
- Neem de lessonup over 3.2 goed door
- Werk de leerdoelen 3.2 zelfstandig uit 

Slide 6 - Tekstslide

Vragen??

Slide 7 - Tekstslide

Verboden te zeggen 
  1. Hofstelsel 

Verboden woorden: 
  • Horigen 
  • Heer 
  • Herendiensten 
  • Domein 

Slide 8 - Tekstslide

Terugblikvraag
Gebruik de bron  Twee uitspraken:
1. De bron laat zien dat ontwikkelingen of verschijnselen die in kenmerkende aspecten worden weergegeven, lang niet altijd precies binnen de grenzen van één tijdvak vallen. 
2. De bron bewijst dat de verhoudingen op het platteland tussen de vroege Middeleeuwen en de negentiende eeuw nauwelijks zijn veranderd. 
Toon van elk van beide uitspraken de juistheid of onjuistheid aan. (4p)

Slide 9 - Tekstslide

Gebruik de bron op de volgende pagina. Twee uitspraken:
1. De bron laat zien dat ontwikkelingen of verschijnselen die in kenmerkende aspecten worden weergegeven, lang niet altijd precies binnen de grenzen van één tijdvak vallen.
2. De bron bewijst dat de verhoudingen op het platteland tussen de vroege Middeleeuwen en de negentiende eeuw nauwelijks zijn veranderd.
Toon van elk van beide uitspraken de juistheid of onjuistheid aan. (4p)

Slide 10 - Open vraag

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Monnik 
Bisschop 

Slide 16 - Tekstslide

Koningen maakten bisschoppen graag tot leenman omdat..
A
Bisschoppen heel gelovig waren
B
Koningen dan hun land weer terugkregen
C
Bisschoppen heel gehoorzaam waren
D
Bisschoppen grote legers hadden

Slide 17 - Quizvraag

Opdracht (rest van de les)
1. Maak de verwerkingsvragen in de rest van deze LessonUp 
(Vanaf pagina 18)
2. Stel vragen over het tot nu toe gemaakte huiswerk
Klaar? Begin aan de voorbereiding van Par. 3.3:
Lezen:  Par. 3.3 (blz. 67 t/m 69) 
Maken:  3.3: Opdracht 2 en 3 (blz. 69)

Slide 18 - Tekstslide

De paus en de Frankische koning werkten samen om het christendom te verspreiden.
Beiden steunden Willibrords (missionaris) bekeringswerk.
Leg uit:
welk belang de Frankische koning had om Willibrord te steunen (1P)
Welk belang de paus had om met de Frankische koning samen te werken (1P)

Slide 19 - Open vraag

Slide 20 - Tekstslide

Een interpretatie:
Dürer laat in zijn schilderij zien dat de christelijke religie voor Karel de Grote minstens zo belangrijk was als het zwaard.
Ondersteun de interpretatie door uit te leggen welk politiek motief Karel de Grote had voor het omarmen van het christendom. (2p)

Slide 21 - Open vraag

Slide 22 - Tekstslide

Uit de bron op de vorige pagina blijkt dat Karel de Grote bevelen kon geven aan de abt (leider) van een klooster. Verklaar dat, door:
• te benoemen in welke relatie Karel de Grote en de abt van Fulda tot elkaar stonden (1p);
• met een politiek motief en een religieus motief uit te leggen waarom grootgrondbezitters grond schonken aan kloosters (2p);
• uit te leggen wie waarschijnlijk in vroegere eeuwen grond aan het klooster Fulda had/hadden geschonken (2p).

Slide 23 - Open vraag

Slide 24 - Tekstslide

Middeleeuwse kloosters zijn wel omschreven als ‘centra van het intellectuele leven’. Leg die omschrijving uit, waarbij je gebruikmaakt van twee activiteiten waarmee kloosterlingen zich bezighielden. (3p)

Slide 25 - Open vraag

Leerdoelen check
1. Je kunt uitleggen waardoor het christendom na het einde van het West-Romeinse Rijk een terugval doormaakte.
2. Je kunt beschrijven hoe het christendom zich in de vroege Middeleeuwen over Europa verspreidde
3. Je begrijpt het wederzijdse belang dat vorsten en geestelijken hadden bij samenwerking.

Slide 26 - Tekstslide

Welke vragen over 3.2 heb je nog?

Slide 27 - Open vraag