Spelling blok 4

Onderwerp 
Spelling blok 4 

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Onderwerp 
Spelling blok 4 

Slide 1 - Tekstslide

Wat is ook alweer een samenstelling?
Geef de omschrijving + 1 voorbeeld.

Slide 2 - Open vraag

Tussenletter bij samenstellingen
Bij een samenstelling voeg je dus één of meer woorden samen tot één nieuw woord. Soms moet je wel letters toevoegen om het nieuwe woord te maken. 
Voorbeeld:
spin + web = spinnenweb
getuige + verklaring = getuigenverklaring
dorp + kern = dorpskern


Slide 3 - Tekstslide

Wel of niet een tussen -n
In sommige samenstelling komt er een -n bij. Maar wanneer schrijf je nu die -n en wanneer heb je alleen een -e?

Slide 4 - Tekstslide

Kijk eens naar de volgende rij woorden, wat valt op?

- plantenbak
tomatensap
horlogemaker
- secondewijzer
- groentesoep
Bedenk voor jezelf wat de meervoudsvorm van het eerste deel van de samenstelling is. 

Slide 5 - Tekstslide

- plantenbak
tomatensap
- horlogemaker
secondewijzer
- groentesoep

Vergelijk de meervoudsvormen met de schrijfwijze van de samenstelling. Wat zie je?
plant - planten
tomaat - tomaten
horloge - horloges
seconde - secondes/seconden
groente - groenten/groentes


Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Wanneer schrijf je een tussen -s?
Simpel, je schrijft de -s als je die hoort. 
Wat nu als het tweede deel van de samenstelling begint met een sisklank? Dan vervang je dat deel door een woord dat niet met een sisklank begint. Hoor je dan een -s, dan schrijf je ook een -s bij de samenstelling met een sisklank.
Voorbeeld: 
reddingsschip, want reddingsboot 
dorpsstraat, want dorpskern

Slide 8 - Tekstslide

Groente + soep
A
groentesoep
B
groentensoep

Slide 9 - Quizvraag

collecte + bus
A
collectenbus
B
collectebus

Slide 10 - Quizvraag

knarsen + tanden
A
knarsentanden
B
knarsetanden

Slide 11 - Quizvraag

reus + leuk
A
reuzeleuk
B
reuzenleuk

Slide 12 - Quizvraag

reus + rad
A
reuzenrad
B
reuzerad

Slide 13 - Quizvraag

stad + schouwburg
A
stadschouwburg
B
stadsschouwburg

Slide 14 - Quizvraag

Samentrekking
Soms kun je woorden of woorddelen in een zin weglaten, omdat ze al eerder in de zin voorkomen. Dit zorgt ervoor dat je herhaling voorkomt en zinnen korter en beter leesbaar worden. Je noemt dit een samentrekking.

Slide 15 - Tekstslide

Samentrekking kan op woordniveau of binnen een woordgroep.

Binnen een woordgroep:

Oude boeken en nieuwe boeken → oude en nieuwe boeken.
In een klas zitten ijverige leerlingen en minder ijverige leerlingen → In een klas zitten ijverige en minder ijverige leerlingen.
Let op! Je zet geen streepjes.



Slide 16 - Tekstslide

Op woordniveau:
dagdienst en nachtdienst → dag- en nachtdienst
Die fietsenzaak heeft zowel fietsverkoop als fietsverhuur. → Die fietsenzaak heeft zowel fietsverkoop als –verhuur.

Let op! Je zet alleen een streepje als je een deel van een samenstelling weglaat.
 
Dus: middelbare en basisschool óf basis- en middelbare school, hoofd- en kleine letters óf kleine en hoofdletters.
Zie je het verschil?

Slide 17 - Tekstslide

Schrijf korter op:
Europees kampioenschap en wereldkampioenschap

Slide 18 - Open vraag

Schrijf korter op:
chocoladetaart en chocoladepudding

Slide 19 - Open vraag

Schrijf korter op:
financieel beleid en personeelsbeleid

Slide 20 - Open vraag

Schrijf korter op:
herfstvakantie, wintervakantie en zomervakantie

Slide 21 - Open vraag

De apostrof: '
Een apostrof heb je soms nodig om uitspraakproblemen te voorkomen, bijvoorbeeld bij sommige meervoudsvormen, bezitsvormen en verkleinwoorden. Je kunt ’m ook gebruiken als je letters weglaat. In dit overzicht vind je de belangrijkste regels voor de apostrof.

Slide 22 - Tekstslide

Gebruik een apostrof:
  1. bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden op -a, -i, -o, -u of -y (met een medeklinker voor de y): radio’s, taxi’s, baby’s
  2. bij het meervoud van letters en afkortingen: k’s, mp3’s
  3. bij het verkleinwoord van letters, cijfers, afkortingen en woorden die eindigen op een -y (met een medeklinker ervoor): party’tje, p’tje, 4’tje, dvd’tje
  4. bij de bezitsvorm van zelfstandige naamwoorden om uitspraakproblemen te voorkomen. Als het woord eindigt op een sisklank, schrijf je alleen een apostrof, geen extra -s: oma’s breiwerk, Rens’ etui
  5. bij achtervoegsels van afkortingen: EHBO’er, sms’en5
  6. bij woorden waarbij je letters weglaat: ’s ochtends, jus d’orange, ’t regent

















Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide