Herhaling voor de toets

Maatschappijkunde 
Herhaling hoofdstuk werk
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijkundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Maatschappijkunde 
Herhaling hoofdstuk werk

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 6
De arbeidsmarkt

Slide 2 - Tekstslide

De arbeidsmarkt: de vraag naar, en het aanbod van arbeidskrachten; 

De vraag: het bedrijf heeft mensen nodig
De werkgelegenheid: hoeveel mensen alle bedrijven bij elkaar nodig hebben.

Het aanbod: mensen die kunnen en willen werken (tussen de 15 en 75 jaar). 
Beroepsbevolking: alle mensen die werk hebben, of werk zoeken. 

Is er meer aanbod dan vraag? Meer werkloosheid. 
Is er meer vraag dan aanbod? Te kort aan werknemers. 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

De arbeidsmarkt veranderd steeds, daar zijn een paar redenen voor: 

1. Automatisering: machines en computers nemen het werk van mensen over
   (bijvoorbeeld in de landbouw of fabrieken). 

2. De economie: gaat het slecht? Mensen worden ontslagen. 
   (denk aan coronatijd). 

3. Flexibel werken: niet meer op één plek, of standaard 8 tot 4. Manieren; 
  • Tijdelijk werken via uitzendbureaus (vakantiebaantjes). 
  • Thuiswerken: vanuit huis werken achter de computer. 
  • Verschillende tijden: overdag? in de nacht? in het weekend? 

Slide 5 - Tekstslide

Arbeidsverdeling: al het werk dat gedaan moet worden, is verdeeld over duizenden beroepen of bedrijven. 

Alle beroepen en bedrijven kun je indelen in vier sectoren: 
  • Eerste / primaire sector: deze sector levert grondstoffen en voedsel. 
       Landbouw, veeteelt, visserij. 
  • Tweede / secundaire sector: deze sector verwerkt de grondstoffen tot producten. 
       Fabrieken
  • Derde / tertiaire sector: deze sector verkoopt de producten. 
       Winkels, transport, horeca, reclamebureaus, verzekeringsbedrijven.
  • Vierde / quartaire sector: dienstverlening die geen winst maakt. 
       Politie, brandweer, politiek, onderwijs, ziekenhuizen.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Sociale ongelijkheid: ongelijkheid tussen mensen door het beroep dat ze hebben. Er ontstaan verschillen doordat geld, kennis en aanzien niet gelijk zijn verdeeld. 

Voorbeeld: een chirurg of bankdirecteur hebben meer geld, aanzien of status dan een tegelzetter of verpleegkundige. 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Hoofdstuk 7
Hoe kom je aan werk?

Slide 10 - Tekstslide

Je kunt op verschillende manieren aan werk komen: 
  • Reageren op een vacature: een baan waar iemand voor wordt gezocht. 

  • Netwerken: alle mensen met wie je contact hebt vertellen dat je een baan zoekt.
 
  • Naar het uitzendbureau gaan: je kunt hier terecht voor een tijdelijke baan
       Voordeel: je kunt werkervaring op doen, veel vrijheden, uitzicht op vaste baan. 
       Nadeel: je weet nooit hoe lang je aan het werk blijft, en bij ziekte wordt je vervangen.

  • Hulp vragen aan het UWV: bepaalt of je recht hebt op een uitkering en helpt bij het vinden van een baan. 

Slide 11 - Tekstslide

Twee grote verschillen tussen UWV en uitzendbureaus: 
  • Uitzendbureaus zijn commercieel, zij willen winst maken. 
  • Uitzendbureaus zijn vooral tijdelijk werk, UWV zoek je een vaste baan. 

Overeenkomst: beide helpen je bij het vinden van een baan. 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Hoofdstuk 8
Kansen op de arbeidsmarkt

Slide 15 - Tekstslide

Vier groepen hebben minder kans op de arbeidsmarkt: 

  • Laaggeschoolden: zij doen meestal eenvoudig werk dat machines/computers overnemen OF een baas neemt iemand met hoger niveau aan. 
  • Gehandicapten: kunnen bepaalde taken niet uitvoeren of de werkgevers willen de werkplaatsen niet aanpassen. 
  • Mensen met een migratieachtergrond: gemiddeld iets lager opgeleid, sommige hebben moeite met Nederlandse taal, of worden gediscrimineerd
  • Vrouwen: krijgen minder vaak leidinggevende banen, angst dat vrouwen stoppen met werken door moederschap, vaak deeltijdwerk, minder werkervaring (door moederschap). 

Slide 16 - Tekstslide

Hoe lost de overheid dit op? 

  • De Wet Gelijke Behandeling: mannen en vrouwen moeten gelijk behandeld worden. 
  • Betere regels voor kinderopvang en ouderschapsverlof: de overheid betaald een deel. 
  • Extra taalles om taalachterstand te verbeteren. 
  • Positieve discriminatie: vrouwen of migranten krijgen voorrang. 
  • Werkgevers krijgen subsidie als ze gehandicapten aannemen. 
  • Laaggeschoolden krijgen omscholing.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Hoofdstuk 9
Werkloosheid

Slide 20 - Tekstslide

Drie soorten werkloosheid: 

  • Seizoenswerkloosheid: sommige beroepen hebben maar een deel van het jaar werk. 
       Fruitplukkers, terrasmedewerkers, skileraren. 

  • Conjuncturele werkloosheid: gaat de economie slecht? dan is er meer werkloosheid. Tijdelijk!
        In tijden van corona winkels en horeca dicht, geen inkomen voor bazen, geen loon... 
        kopen mensen minder? geen inkomen voor bazen, geen loon werknemers... 

  • Structurele werkloosheid: banen verdwijnen voor altijd, redenen:  
                    Verkoop van een product stopt (videobanden). 
                    Automatisering: machines nemen het over. 
                    Verhuizen naar lagelonenlanden. 

Slide 21 - Tekstslide

Persoonlijke gevolgen werkloosheid: 
  • Je inkomen gaat omlaag: uitkeringen zijn minder dan loon
  • Je loopt achter op ontwikkelingen. 
  • Je wordt eenzamer: geen collega's die je elke dag ziet. 
  • Geen structuur: heel veel vrije tijd... wat doe je ermee?
  • Minder waardering: vooroordelen 
Gevolgen voor de samenleving
  • Tegenstelling tussen armen en rijken. Armere mensen kunnen jaloers worden, rijkere mensen kunnen vooroordelen krijgen. 

Slide 22 - Tekstslide

Hoofdstuk 10
Sociale partners

Slide 23 - Tekstslide

Belangen werknemers (personeel): 
  • Goede arbeidsvoorwaarden: hoog loon, goede werktijden
  • Goede arbeidsomstandigheden: gezonde en veilige werkplek
  • Inspraak: mee kunnen praten

Belangen werkgevers (baas): 
  • Lage kosten: lage lonen, weinig belasting
  • Goed opgeleide werknemers
  • Weinig regels van de overheid: soepel ontslag

Slide 24 - Tekstslide

Vakbonden en vakcentrales: een organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers (personeel).  FNV, CNV, VCP

- Persoonlijk: bij onterecht ontslag
- Heel bedrijf: iedereen moet veel overwerken.
- Bedrijfstak: leraren verdienen te weinig
- Landelijk: rechten voor alle zzp'ers
Werkgeversorganisaties: adviseren werkgevers en bedrijven, bijvoorbeeld bij een staking van personeel. VNO-NCW, AWVN

Slide 25 - Tekstslide

Hoofdstuk 11
Verzorgingsstaat

Slide 26 - Tekstslide

Een verzorgingsstaat (VZS): een staat waarin de overheid zorgt dat iedereen een minimuminkomen heeft om van te leven. De overheid zorgt ervoor dat iedereen; 
  • Een inkomen heeft, een huis heeft, naar de dokter kan, naar school kan. 

Alle uitkeringen samen noemen we het stelsel van sociale zekerheid. Dit bestaat uit: 

  • Sociale verzekeringen: deze zijn voor iedereen verplicht, je betaalt een premie. 
                        Werknemersverzekeringen: voor iedereen die werkt (WW)
                         Volksverzekeringen: voor iedereen in NL (AOW, Kinderbijslag)

  • Sociale voorzieningen: je krijgt een minimum bedrag om van te leven, je betaalt niet. 
                        Bijstand: uitkering als je geen andere inkomstenbron hebt.

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Het probleem van de VZS is dat het veel te duur is, maatregelen hiervoor zijn; 
  • Uitkeringen worden lager
  • Strengere controle: alleen als je echt niet kan werken, uitkering.
  • Werkloos? Iedere baan aannemen. 
  • Overheid biedt omscholing aan. 

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide