9.2 Stamboomonderzoek

9.2: Stamboomonderzoek
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

9.2: Stamboomonderzoek

Slide 1 - Tekstslide

Deze les:
- Inzage SE
- 9.2 Stamboomonderzoek uitleg en oefenen
- Opdrachten maken (huiswerk)

Slide 2 - Tekstslide

Doel en begrippen 9.2 
Je leert uit een stamboom af te leiden hoe een bepaalde eigenschap overerft. 

stamboom, dominant, recessief, homozygoot, heterozygoot, drager, autosomale overerving, X-chromosomale overerving. 

Slide 3 - Tekstslide

Fenotype/ Genotype
Fenotype: beschrijving van een eigenschap
Bijvoorbeeld: blond/ bruin/ zwart/ grijs haar, wel/ niet tongrollen, wel/ geen suikerziekte, koriander smaakt wel/ niet naar zeep, kleurenblind/ kleurenziend, bloedgroep A/B/AB/0

Genotype: beschrijving van de aanwezige allelen
AA, bb, IAIA, XaY

Slide 4 - Tekstslide

Dominant/ recessief
Een dominant allel zie je altijd terug in het fenotype (ook als er maar één dominant allel is).

Een dominant allel noteer je met een HOOFDLETTER.

Slide 5 - Tekstslide

Dominant/ recessief
Een recessief allel zie je alleen terug in het fenotype als er geen dominante allelen aanwezig zijn.

Een recessief allel noteer je met een kleine letter.


Slide 6 - Tekstslide

Dominant/ recessief
Allelen van hetzelfde gen (eigenschap) hebben dezelfde letter (HOOFD of klein)

Slide 7 - Tekstslide

Homozygoot
Een individu met twee dezelfde allelen is homozygoot.

Twee dominante allelen of twee recessieve allelen.

Genotype is AA (homozygoot dominant) of aa (homozygoot recessief).
Kan alleen A of a doorgeven.


Slide 8 - Tekstslide

Heterozygoot
Een individu met twee verschillende allelen is heterozygoot.

Een dominant en een recessief allel.
Genotype is Aa.

Dit individu kan allel A of allel a doorgeven aan volgende generatie.

Slide 9 - Tekstslide

Welk genotype heeft een organisme als een eigenschap homozygoot recessief is?

A
Rr
B
rr
C
RR

Slide 10 - Quizvraag

Een vrouw met blauwe ogen krijgt een kind met bruine ogen. Het allel voor (B) bruine ogen is dominant over het allel voor (b) blauwe ogen. Welke genotypen kan de vader gehad hebben?
A
Alleen BB
B
Alleen Bb
C
BB of Bb
D
Bb of bb

Slide 11 - Quizvraag

Als dit kind blauwe ogen had gekregen. Welke genotypen kunnen de ouders dan niet hebben?

A
Bb en bb
B
bb en bb
C
BB en Bb

Slide 12 - Quizvraag

Een hamster met zwart haar paart met een hamster met wit haar. Ongeveer de helft van de jongen heeft wit haar. De andere hamsters hebben zwart haar.
Welke conclusie kan hieruit getrokken worden?
A
Beide hamsters zijn homozygoot
B
Een van de hamsters is homozygoot en de andere is heterozygoot
C
Wit haar is dominant en zwart haar is recessief
D
Zwart haar is dominant en wit haar is recessief

Slide 13 - Quizvraag

Een ziekte is dominant, en wordt aangeduid met 'A'.

Wat is het genotype van de gezonde personen?
A
AA
B
Aa
C
AA of Aa
D
aa

Slide 14 - Quizvraag

Een ziekte is dominant, en wordt aangeduid met 'A'.

Wat is het genotype van de door de ziekte aangedane personen?
A
AA
B
Aa
C
AA of Aa
D
aa

Slide 15 - Quizvraag

Oefening
Bij bananenvliegjes is het allel voor lange vleugels (A) dominant over het allel voor korte vleugels (a).
a. Welke genotypes behoren bij een langvleugelige vlieg?
b. Wat is het genotype van een kortvleugelige vlieg? 
c. Werk een kruising uit tussen twee langvleugelige vliegjes die kortvleugelige nakomelingen krijgen.
d. Hoeveel procent van de vliegjes zijn kortvleugelig?

Slide 16 - Tekstslide

Drager
Een heterozygoot individu heeft het dominante fenotype maar is drager van het recessieve allel.

Hij/zij kan dus wél het recessieve allel doorgeven en zorgen voor recessieve fenotype in de voldoende generatie.

Slide 17 - Tekstslide

Oefening
PKU is een erfelijke stofwisselingsziekte. Dit wordt onderzocht met bloed uit een hielprik bij pasgeboren baby's. Wanneer het kind PKU heeft zal het kind een speciaal dieet moeten volgen.

Twee ouders zijn beiden drager voor PKU, ze hebben al een kindje met PKU. Hoe groot is de kans dat hun tweede kind ook PKU heeft?

Slide 18 - Tekstslide

Stamboom
In een stamboom let je goed op de legenda.
           
            Man


            Vrouw

Slide 19 - Tekstslide

Stamboom
Om te zoeken naar welk allel dominant is:
Ga je in een stamboom op zoek naar een kind met een afwijkend fenotype van de ouders.

Je weet dan de genotypes van ouders (Aa) en kind (aa).

Slide 20 - Tekstslide

Oefenvraag
Welke eigenschap is dominant? C of D?

Slide 21 - Tekstslide

Oefenvraag
Welke eigenschap is dominant? C of D?
Aa
Aa
aa

Slide 22 - Tekstslide

Is de eigenschap (zwart) dominant of recessief?
A
Dominant
B
Recessief
C
Te weinig informatie

Slide 23 - Quizvraag

Mensen die de erfelijk bepaalde afwijking 'korte vingers' hebben, missen een kootje in één of meer vingers. De eigenschap is autosomaal. Margriet en Kees verwachten hun derde kind. Hoe groot is de kans dat dit kind normale vingers heeft?

A
0
B
1/4
C
1/2
D
2/3

Slide 24 - Quizvraag

X-chromosomle overerving
Allelen op het X chromosoom erven anders over omdat een man maar één  X-chromosoom heeft. Daarom geldt:
  • Mannen met 1 recessief allel hebben meteen de recessieve eigenschap
  • Mannen erven X-chromosomale eigenschappen altijd alleen van hun moeder over (van vader krijgen zij een Y-chromosoom)
  • Vrouwen erven het X chromosoom van hun vader (+ een van moeder), met de allelen die daar op liggen.
Notatie: XA en Xa

Slide 25 - Tekstslide

Stamboom X-chromosomaal
Een jongen erft altijd het X chromosoom van moeder én bij hem geldt fenotype = genotype

Een meisje erft altijd het X chromosoom van vader. Heeft de vader het dominante fenotype dan alle dochters ook.

Slide 26 - Tekstslide

Van wie krijgt een jongen zijn X-chromosoom?
A
Alleen van moeder
B
Alleen van vader
C
Kan van vader of moeder zijn
D
Strikvraag: jongens hebben geen X maar Y

Slide 27 - Quizvraag

Oefening (klassikaal)
Bij Drosophila komt onder andere het allel ‘vleugels zonder dwarsaders’ voor. Dit allel is X-chromosomaal en recessief. Een vrouwtje met vleugels zonder dwarsaders wordt gekruist met een mannetje met normale vleugels. 

De F1-individuen die hieruit ontstaan, worden onderling gekruist en er ontstaat een F2.

Hoeveel % van de vrouwtjes uit de F2 heeft vleugels zonder dwarsaders?

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Stel zwart is dominant. Kan hier dan sprake zijn van een X-chromosomaal overervende eigenschap?



A
Ja
B
Nee

Slide 31 - Quizvraag

Kan de eigenschap (zwart) X-chromosomaal zijn of niet?
A
Ja, dat zou kunnen
B
Nee, dat kan niet
C
Te weinig informatie

Slide 32 - Quizvraag

Oefening
Hieronder staat een stamboom. De personen die met grijs aangegeven zijn, hebben een ziekte. De rode personen zijn gezond. De ziekte wordt veroorzaakt door één gen dat X-chromosomaal is. Vrouw 7 is in verwachting van kind 11. De baby blijkt een meisje te zijn. Hoe groot is de kans dat meisje 11 de ziekte heeft?
 

Slide 33 - Tekstslide

Opdrachten
- Nakijken HW 9.1
- Maken 9.2 opdr. 2, 4, 5 t/m 9 (route B)

Slide 34 - Tekstslide

Emergente eigenschap
Pas zichtbaar op een hoger organisatie-niveau.
Ontstaat door interactie tussen eigenchappen.

Slide 35 - Tekstslide

Doel en begrippen 9.2 
Je leert uit een stamboom af te leiden hoe een bepaalde eigenschap overerft. 

stamboom, dominant, recessief, homozygoot, heterozygoot, drager, autosomale overerving, X-chromosomale overerving. 

Slide 36 - Tekstslide