BAK 2HV - 40 PW U3

PW U3
  • voca 3.1 tm 3.3 (N-S)
  • roze ww blad 1-24 (S-N)
  • regelmatige ww op -ar,-er,-ir
  • llamarse (en andere wederkerende ww)
  • tener
  • hay/estar/ser (kiezen en vervoegen)
  • gustar (+bevestiging/ontkenning, zinnetjes maken)
  • bezittelijk voornaamwoord
  • bijvoeglijk nw
  • getallen t/m 100









1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

PW U3
  • voca 3.1 tm 3.3 (N-S)
  • roze ww blad 1-24 (S-N)
  • regelmatige ww op -ar,-er,-ir
  • llamarse (en andere wederkerende ww)
  • tener
  • hay/estar/ser (kiezen en vervoegen)
  • gustar (+bevestiging/ontkenning, zinnetjes maken)
  • bezittelijk voornaamwoord
  • bijvoeglijk nw
  • getallen t/m 100









Slide 1 - Tekstslide

Vocabulaire 
Voca 3.1 (NL-SP)
Voca 3.2 (NL-SP)
Voca 3.3 (NL-SP)

Er staan meer quizletlinks in de classroom en verderop in deze lessonup!

Slide 2 - Tekstslide

Regelmatige ww op -ar
De stam van een werkwoord vind je altijd door -ar/-er/-ir weg te halen. 

Vervolgens plak je er een andere letter achter (zoals het voorbeeld hiernaast, dit gaat altijd in vaste volgorde: ik - jij - hij/zij/het/u - wij - jullie - zij/u meervoud).


Slide 3 - Tekstslide

Regelmatige ww op -er
De stam van een werkwoord vind je altijd door -ar/-er/-ir weg te halen.

Vervolgens plak je er een andere letter achter (zoals het voorbeeld hiernaast, dit gaat altijd in vaste volgorde: ik - jij - hij/zij/het/u - wij - jullie - zij/u meervoud).

Slide 4 - Tekstslide

Regelmatige ww op -ir
De stam van een werkwoord vind je altijd door -ar/-er/-ir weg te halen.

Vervolgens plak je er een andere letter achter (zoals het voorbeeld hiernaast, dit gaat altijd in vaste volgorde: ik - jij - hij/zij/het/u - wij - jullie - zij/u meervoud).

Oefenen 3 (ww -er/-ir)

Slide 5 - Tekstslide

Llamarse en andere wederkerende ww
Het werkwoord 'llamarse' is een wederkerend werkwoord. Zo een ww kun je herkennen aan de 'SE' achter het woord. Denk hierbij aan het NL - ik was mij, jij wast jou, etc.

'SE' haal je van het ww af en plaats je helemaal naar voren en zet je in de persoon waarin je wil praten. Vervolgens ga je de stam maken door ar/er/ir van het woord af te halen. Het enige wat je dan nog hoeft te doen is het ww in de juiste persoon te zetten door er de juiste uitgang aan vast te plakken.

Oefenen 1 Invulopdr - met ww peinarse (zelfde vervoegingen als bij llamarse)
Oefenen 3 Zoek de uitdaging en leer meer over wederkerende werkwoorden!!

Slide 6 - Tekstslide

TENER
Betekenis: HEBBEN
Ik heb, jij hebt, hij/zij/ u heeft, wij hebben, jullie hebben, zij(mv)/u(mv) hebben.
--> ONREGELMATIG WW
--> Gebruik je ook bij het aangeven van je leeftijd. VB. Tengo 13 años (ik heb 13 jaar)


Oefen: klik HIER om het ww te leren via quizlet
Oefen: Klik HIER om een oefening te maken

Slide 7 - Tekstslide

Hay/ser/estar (zijn)
Bij 'zijn' altijd de top 3 volgen:

1. Hay (staat er letterlijk 'er is' of 'er zijn' in de zin?)

2. Estar (kun je 'zijn' vervangen door 'zich bevinden'?)

3. Ser (in de overige gevallen). 

Let op: je kunt je ook in een tijdelijke emotionele staat bevinden. Bijv. verdrietig, boos, verliefd etc. Ook dan gebruik je 'estar'.

Slide 8 - Tekstslide

Ser
Ser wordt gebruikt bij vaste eigenschappen. 
Bijv. Ik ben blond, jij bent Nederlander of zij heet Daphne. 
Er wordt van uitgegaan dat dit eigenschappen zijn die eigenlijk niet kunnen veranderen. 

Oefen: Klik HIER om het ww SER te leren via quizlet.

Oefen: Klik  HIER om te oefenen. 

Slide 9 - Tekstslide

Estar
Estar wordt gebruikt bij plaatsbepaalingen. Bijv. ik ben in Nederland. Eigenlijk zeg je dan, ik bevind mij in Nederland. Zodra je het werkwoord 'zijn' kan vervangen door 'bevinden' dan weet je dat je estar moet gebrijken.
Bijv. ik ben op school - ik bevind mij op school.

Let op: dit werkwoord draagt accentjes ;)
Oefen: Klik HIER om het ww estar te leren via quilzet
Oefen: Klik HIER om te oefenen.

Slide 10 - Tekstslide

HAY
Hay kent maar één vervoeging en dat is 'hay'. 
Hay gebruik je zodra je kan zeggen 'er is/ er zijn'. 
Bijv. er zijn veel leerlingen in de klas - hay muchos alumnos en la clase.

Zodra je een nummer (1, 2, 3, etc.), een onbepaald lidwoord (un/unos, una/ unas), een hoeveelheidswoord (mucho/ poco/ demasiado, etc) ziet staan, dan gebruik je ook het werkwoord hay.

Oefen: Klik HIER om te oefenen. (scroll een beetje naar beneden om bij de opdracht te komen)

Slide 11 - Tekstslide

GUSTAR
= Houden van / leuk vinden                                       
                                                                                                
Gusta - zelfstandig nw ENKELVOUD                      
Gusta - werkwoord

Gustan - zelfstandig nw MEERVOUD
Gustan - waneer er 2 of meer zelfstandige nw staan

ME, TE, LE, NOS, OS, LES - staat ALTIJD voor het ww gustar

NO - staat altijd voor de persoon (NO me gusta, NO te gusta..)

A mí, A tí, A él, etc - nadruk geven aan de persoon.
Ik vind het heel leuk, jij vind het heel leuk...
A mí me gusta el chocolate                     

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Reageren op vragen met GUSTAR
- A mí me gusta el chocolate, ¿y a tí?
*también =  ook
* no =  niet

- A mí no me gusta el chocolate, ¿y a tí?
*  tampoco = ook niet
*  sí =  wel


Oefen: Klik HIER om te oefenen.

Slide 14 - Tekstslide

Het Bezittelijk voornaamwoord
In het Spaans moet je bij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord, rekening houden met:
1 - is het  zelfstandig naamwoord dat erachter komt meervoud of enkelvoud?
2- is het zelfstandig naamwoord dat erachter komt mannelijk of vrouwelijk?

Lees op de volgende sheet de uitleg >>>

Slide 15 - Tekstslide

Regels bezittelijk voornaamwoord  
Het bez vnw past zich aan, aan het zelfstandig naamwoord in het Spaans.
Staat het zelfstandig nw in het meervoud, dan zet je het bez vnw ook in het meervoud. 
mi clase - miS claseS             tu libro - tuS libroS       su padre - suS padreS

Bij de ONZE en JULLIE vorm, kan dit naast meervoud ook nog MANNELIJK of VROUWELIJK worden. Kijk maar:
NuestrOS abuelOS     -      onze opa's
NuestrAS abuelAS     -       onze oma's 

VuestrOS amigOS      -       Jullie vrienden
VuestrAS amigAS       -       Jullie vriendinnen
Oefen: Klik HIER om het bezit. vnw. te leren via quilzet

Oefen: Klik HIER om een oefening te maken

Slide 16 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoorden
Wat je moet weten:
  • Bijvoeglijke naamwoorden staan in het Spaans bijna altijd achter het zelfstandig naamwoord.
  • Bijvoeglijke naamwoorden richten zich naar het zelfstandig naamwoord waar ze bij staan (mannelijk/vrouwelijk/enkelvoud/meervoud)

Slide 17 - Tekstslide

1. Bijvoeglijk naamwoorden die eindigen op een -O
bijvoorbeeld: bonito (mooi), divertido (leuk), pequeño (klein)

Bij de bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een -o verandert de -o in een -a als het bijvoeglijk naamwoord bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord staat. 
vb: el libro bonito (het mooie boek)
       la casa bonita (het mooie huis)

Slide 18 - Tekstslide

2. Bijvoeglijk naamwoorden die eindigen op een -E.
bijvoorbeeld: inteligente (intelligent), horrible (verschrikkelijk)

Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een -e veranderen niet wanneer ze bij een een vrouwelijk zelfstandig naamwoord staan
vb: el chico inteligente (de intelligente jongen)
       la chica inteligente (het intelligente meisje)

Slide 19 - Tekstslide

3. Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker.
bijvoorbeeld: genial (geniaal), azul (blauw)

Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker verandere niet wanneer ze bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord staan. 
vb: el coche azul (de blauwe auto)
       la carpeta azul (de blauwe map)

Slide 20 - Tekstslide

Meervoud van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden.
  • Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen in het meervoud een -s.
vb: el chico inteligente --> los chicos inteligentes
        la casa grande          --> las casas grandes

  • Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op een medeklinker krijgen in het meervoud -es.
vb: el profesor genial --> los profesores geniales
       la situación difícil --> las situaciones difíciles
VERGEET NIET HET LIDWOORD OOK IN HET MEERVOUD TE ZETTEN!!!

Slide 21 - Tekstslide

Bijvoegelijk naamwoord
Als je de uitleg op de vorige sheets hebt gelezen en begrepen, kun je de volgende opdracht maken om te oefenen.

Oefen: klik HIER om te oefenen


Ken je een woord niet? Zoek het op, maar volg vooral eerst de regel!

Slide 22 - Tekstslide

Los números
Tot aan 30 schrijf je alles aan elkaar vast met een 'i' als verbindingswoord.

Na de 30 schrijf je alles van elkaar af en verandert de 'i' in een 'y' (wat 'en' betekent).

Oefen: klik HIER om de getallen te leren via quizlet.

Oefen: klik HIER om een opdracht te maken


Slide 23 - Tekstslide

¡Y listo! ¡Muy bien hecho!

¡Heel veel succes op het PW!

Slide 24 - Tekstslide