Eenheden omrekenen Les 2 periode 1
Lesdoelen:
Je kunt uitleggen waarom dezelfde grootheid verschillende eenheden kan hebben.
Je kent de betekenis van de belangrijkste voorvoegsels.
Je kunt eenheden omrekenen met stappen van ×10 en ÷10.
Je kunt bepalen of je antwoord bij het omrekenen groter of kleiner moet worden.
Eenheden omrekenen Les 2 periode 1
Lesdoelen:
Je kunt uitleggen waarom dezelfde grootheid verschillende eenheden kan hebben.
Je kent de betekenis van de belangrijkste voorvoegsels.
Je kunt eenheden omrekenen met stappen van ×10 en ÷10.
Je kunt bepalen of je antwoord bij het omrekenen groter of kleiner moet worden.
Welke grootheid hoort bij de eenheid meter (m)?
massa
temperatuur
lengte
tijd
Welke eenheid gebruik je meestal voor tijd?
seconde
kilogram
meter
graad
Welke combinatie van grootheid en eenheid klopt?
massa – seconde
tijd – meter
lengte – kilogram
temperatuur – graden Celsius
Een tafel is 1,2 m lang. Wat is hier de meetwaarde?
tafel
lengte
1,2 m
meter
Jesse is 1,75 m lang.
Noah is 180 cm lang.
Wie is langer?
1,75 m = 175 cm
175 cm < 180 cm
Dus Noah is langer
De lengte verandert niet als je de eenheid verandert. Alleen de meetwaarde verandert.
Voorvoegsels
Bij rekenen: Eenheid kleiner = meetwaarde groter
Omrekenen
Iedere stap naar rechts --> meetwaarde x 10
Iedere stap naar links --> meetwaarde : 10
3,4 m naar cm
m --> dm --> cm
Dus 3,4 x 10 x 10 = 340
3,4 m = 340 cm
Voorbeeld
Ik wil van 4500 g naar kg
3 stappen naar links
4500 : 10 : 10 : 10 = 4,5
4500 g = 4,5 kg
Vraag jezelf altijd af: wordt mijn nieuwe eenheid groter of kleiner?
Grotere eenheid = kleiner getal
kleinere eenheid = groter getal
voorbeelden:
4,2 km = .... m
65 cm = .....m
0,35 kg = .... g
Voor de toets moet je de voorvoegsels en de betekenis uit je hoofd weten!
Grotere stappen
oppervlaktes en volumes
vierkante en kubieke meters
Werkblad
Waarom?
Bij NaSk kom je dezelfde grootheid vaak in verschillende eenheden tegen. Om goed te kunnen rekenen, moet je deze eenheden naar elkaar kunnen omrekenen.
Wat?
Je leert hoe je eenheden omrekent met het metrieke stelsel.
Hoe?
Je gebruikt het schema met voorvoegsels. Elke stap naar rechts is ×10 en elke stap naar links is ÷10. Daarna oefen je met verschillende omrekeningen. Overleggen is toegestaan.
Tijd?
± 15 minuten.
Uitkomst?
Je kunt:
bepalen hoeveel rekenstappen je moet maken in het metrieke stelsel;
eenheden omrekenen met ×10, ×100, ×1000 of juist ÷10, ÷100, ÷1000;
controleren of je antwoord logisch is.
Klaar?
Kijk je werkblad na met het antwoordenblad
minute
second
Afsluiter (1 min)
Een leerling rekent om:
4,5 km=450 m
Welke fout heeft de leerling gemaakt? Leg uit en geef het juiste antwoord
Kilometer > Hectometer > Decameter > m
3 stapjes = 10 x 10 x 10
4,5 x 10 x 10 x 10 = 4500
4,5 km = 4500 m
De leerling heeft in de omrekening een stap te weinig toegepast, de leerling had zijn meetwaarde met nog eens 10 moeten vermenigvuldigen om het goede antwoord te krijgen.