Eenheden omrekenen Les 2 periode 1

Eenheden omrekenen Les 2 periode 1

Lesdoelen:

  • Je kunt uitleggen waarom dezelfde grootheid verschillende eenheden kan hebben.

  • Je kent de betekenis van de belangrijkste voorvoegsels.

  • Je kunt eenheden omrekenen met stappen van ×10 en ÷10.

  • Je kunt bepalen of je antwoord bij het omrekenen groter of kleiner moet worden.

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmbo lwoo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 8 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Eenheden omrekenen Les 2 periode 1

Lesdoelen:

  • Je kunt uitleggen waarom dezelfde grootheid verschillende eenheden kan hebben.

  • Je kent de betekenis van de belangrijkste voorvoegsels.

  • Je kunt eenheden omrekenen met stappen van ×10 en ÷10.

  • Je kunt bepalen of je antwoord bij het omrekenen groter of kleiner moet worden.

Welke grootheid hoort bij de eenheid meter (m)?

A

massa

B

temperatuur

C

lengte

D

tijd

Welke eenheid gebruik je meestal voor tijd?

A

seconde

B

kilogram

C

meter

D

graad

Welke combinatie van grootheid en eenheid klopt?

A

massa – seconde

B

tijd – meter

C

lengte – kilogram

D

temperatuur – graden Celsius

Een tafel is 1,2 m lang. Wat is hier de meetwaarde?

A

tafel

B

lengte

C

1,2 m

D

meter

Jesse is 1,75 m lang.
Noah is 180 cm lang.

Wie is langer?



1,75 m = 175 cm

175 cm < 180 cm

Dus Noah is langer

De lengte verandert niet als je de eenheid verandert. Alleen de meetwaarde verandert.

Voorvoegsels

  • Bij rekenen: Eenheid kleiner = meetwaarde groter

Omrekenen

  • Iedere stap naar rechts --> meetwaarde x 10

  • Iedere stap naar links --> meetwaarde : 10

  • 3,4 m naar cm

  • m --> dm --> cm

  • Dus 3,4 x 10 x 10 = 340

  • 3,4 m = 340 cm

Voorbeeld

  • Ik wil van 4500 g naar kg

  • 3 stappen naar links

  • 4500 : 10 : 10 : 10 = 4,5

  • 4500 g = 4,5 kg

Vraag jezelf altijd af: wordt mijn nieuwe eenheid groter of kleiner?

  • Grotere eenheid = kleiner getal

  • kleinere eenheid = groter getal


  • voorbeelden:

    • 4,2 km = .... m

    • 65 cm = .....m

    • 0,35 kg = .... g


  • Voor de toets moet je de voorvoegsels en de betekenis uit je hoofd weten!

Grotere stappen

  • oppervlaktes en volumes

  • vierkante en kubieke meters

Werkblad

Waarom?
Bij NaSk kom je dezelfde grootheid vaak in verschillende eenheden tegen. Om goed te kunnen rekenen, moet je deze eenheden naar elkaar kunnen omrekenen.

Wat?
Je leert hoe je eenheden omrekent met het metrieke stelsel.

Hoe?
Je gebruikt het schema met voorvoegsels. Elke stap naar rechts is ×10 en elke stap naar links is ÷10. Daarna oefen je met verschillende omrekeningen. Overleggen is toegestaan.

Tijd?
± 15 minuten.

Uitkomst?
Je kunt:

  • bepalen hoeveel rekenstappen je moet maken in het metrieke stelsel;

  • eenheden omrekenen met ×10, ×100, ×1000 of juist ÷10, ÷100, ÷1000;

  • controleren of je antwoord logisch is.

Klaar?
Kijk je werkblad na met het antwoordenblad

10

minute

00

second

Afsluiter (1 min)

Een leerling rekent om:
4,5 km=450 m

Welke fout heeft de leerling gemaakt? Leg uit en geef het juiste antwoord

  • Kilometer > Hectometer > Decameter > m

  • 3 stapjes = 10 x 10 x 10

  • 4,5 x 10 x 10 x 10 = 4500

  • 4,5 km = 4500 m

  • De leerling heeft in de omrekening een stap te weinig toegepast, de leerling had zijn meetwaarde met nog eens 10 moeten vermenigvuldigen om het goede antwoord te krijgen.