Kies de stam (ik-vorm)
maken
nakijken
tekenen
verf
Kies de stam (ik-vorm)
maken
nakijken
tekenen
verf
Kies de stam (ik-vorm)
lees
rekenen
knippen
schrijven
Kies de stam (ik-vorm).
lopen
fietsen
zwem
rennen
3x stam werkwoord
regels stam
lopen lop ik loop
rennen renn ik ren
verven verv ik verf
blozen bloz ik bloos
fietsen
ik fiets / fiets jij? stam
jij fietst stam + t
hij/zij fietst stam + t
wij/zij/ jullie fietsen hele werkwoord
Hoe vind je de persoonsvorm?
Maak de zin vragend.
Ik ga zwemmen.
Ga ik zwemmen?
Het woord (ga) dat vooraan staat is de persoonsvorm.
Wat is de persoonsvorm? Hij loopt naar school.
Wat is de persoonsvorm? Zij maakt de opdracht.
Wat is de persoonsvorm? Wij kijken een film.
Hoe vind je het onderwerp?
Wie doet iets?
Ik ga zwemmen.
Wie gaat zwemmen? Ik.
Wat is het onderwerp? Hij loopt naar school.
Wat is het onderwerp? Zij maakt de opdracht?
Wat is het onderwerp? Wij kijken een film?