Verbes irréguliers | Onregelmatige werkwoorden -ir

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
fransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

timer
10:00

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide


Zet in de passé composé:
il (partir)
A
a parti
B
est partie
C
a partie
D
est parti

Slide 12 - Quizvraag


Zet in de passé composé:
nous (sortir)
A
avons sortis
B
sommes sortis
C
avons sorti
D
sommes sorti

Slide 13 - Quizvraag


Zet in de présent:
tu (dormir)
A
dors
B
dormis
C
dort

Slide 14 - Quizvraag


Zet in de imparfait:
on (sentir)
A
senti
B
sentait
C
sentira

Slide 15 - Quizvraag


Zet in de futur simple:
vous (choisir)
A
choisissiez
B
choisissait
C
choisira
D
choisirez

Slide 16 - Quizvraag


Zet in de présent:
vous (finir)
A
finirez
B
finissiez
C
finissez

Slide 17 - Quizvraag


Zet in de présent:
je (grandir)
A
grandis
B
grandit
C
grandi

Slide 18 - Quizvraag


Zet in de imparfait:
je (dormir)
A
dormi
B
dormais
C
dormirais

Slide 19 - Quizvraag


Zet in de imparfait:
je (servir)
A
servis
B
servit
C
sers

Slide 20 - Quizvraag


Zet in de passé composé:
elle (sentir)
A
est sentie
B
est senti
C
a senti
D
a sentie

Slide 21 - Quizvraag

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide