Hoofdstuk 3 Marktresultaat

Marktresultaat
Hoofdstuk 3: Onvolkomen concurrentie
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Marktresultaat
Hoofdstuk 3: Onvolkomen concurrentie

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Onvolkomen concurrentie:
marktmacht is marktfalen
Marktmacht ontstaat als er aanbieders van een product de prijs kunnen beïnvloeden -> er is dan sprake van marktfalen!


Alle marktvormen behalve de volkomen concurrenten/volledige mededinging hebben een vorm van marktfalen. 

Slide 3 - Tekstslide

Van TK naar collectieve aanbodfunctie
zet TK om naar MK
aanbieder streeft naar Maximale winst dus
MO = MK, maar bij volkomen concurrentie geldt P = MO
dus p = MK
p = functie omzetten naar q = functie (dan heb je individuele aanbodfunctie)
q functie omzetten naar Qa (collectieve aanbodfunctie)

Slide 4 - Tekstslide

Collectieve aanbodcurve is een optelsom van alle individuele MK lijnen. Dus Qa is de MK van de individuele aanbieder
qa = 1,75p - 35
-1,75p = -qa -35
p =  1/1,75qa + 20
p = MK = 1/1,75qa + 20

Slide 5 - Tekstslide

Soorten monopolie
Hoe kan een monopolie ontstaan?
1. Wettelijke monopolie
De overheid geeft of heeft het alleenrecht op de verkoop
2. Natuurlijk monopolie
De investeringen om een bedrijf te beginnen zijn zo hoog dat geen enkel ander bedrijf de concurrentie wil aangaan
3. Technische monopolie
Een bedrijf bezit als enige de technische kennis om een product te maken
4.  Economisch monopolie
Een bedrijf bezit een alleenrecht op het produceren van het product (patent)

Slide 6 - Tekstslide

Monopolie:

Slide 7 - Tekstslide

Het bedrijf met een monopoliepositie..
GO
GO is niet een horizontale lijn zoals bij volkomen concurrentie.  

MO
MO snijdt de X-as op de helft van het GO-snijpunt van de X-as. → omzet maximaal(!)
Wel vanuit dezelfde Y-waarde bij X=0 starten 

BEP-1
BEP-2
Formule
GO = de prijs-afzetlijn(de formule van Qv)
Max. winst
MO=MK

Slide 8 - Tekstslide

Maximale winst bij monopolie
1) Bepaal met behulp van MO = MK de hoeveelheid waarbij de winst maximaal is.
2) Bepaal de verkoopprijs bij die hoeveelheid
3) Bepaal de kosten per product (GTK) bij die hoeveelheid.

Slide 9 - Tekstslide

Monopolie:

Slide 10 - Tekstslide

Monopolie:

Slide 11 - Tekstslide

                                             welvaartsverlies monopolie

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

KARTEL-vorming
Bij een oligopolie hebben enkele (grote) aanbieders de macht om de prijs te bepalen.
Hierbij ontstaat het risico van Kartelvorming

Slide 14 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Een aanbieder die voor precies hetzelfde product, verschillende prijzen vraagt, aan verschillende duidelijk van elkaar te onderscheiden doelgroepen. Het product kan niet doorverkocht worden aan andere doelgroepen.
Bijv. kinderen tot 12 jaar en ouderen vanaf 65 jaar betalen een lagere prijs voor het OV dan de leeftijd 13-64 jaar. Via een ID kan aangetoond worden wat de leeftijd is.

Slide 15 - Tekstslide



Bij perfecte prijsdiscrminatie kan de prijs lager

  • Bij perfecte prijsdiscriminatie betaalt elke consument een een prijs die gelijk is aan zijn betalingsbereidheid.
  • Voor elke vrager een eigen prijs
  • Bij perfecte prijsdiscriminatie geen   consumentensurplus, alleen producentensurplus.
  • Door de prijs voor bepaalde groepen te verlagen kan de monopolist extra klanten trekken. Zolang MO>MK levert dat extra winst op.

Slide 16 - Tekstslide

prijsdiscriminatie: 65+ korting
prijsdifferentiatie: duurder kaartje voor meer luxe
prijsdiscriminatie: korting voor kinderen
prijsdifferentiatie: duurder kaartje voor meer luxe
prijsdifferentiatie: duurder ticket voor meer luxe
prijsdiscriminiatie: ticket goedkoper voor vroegboekers
prijsdifferentiatie: dag en nachttarief

Slide 17 - Tekstslide

Drie soorten prijsdiscriminatie:
1e graad: Prijsdiscriminatie verschilt per klant.
2e graad: Prijsdiscriminatie afhankelijk van de hoeveelheid goederen die je verkoopt.
3e graad: Prijsdiscriminatie per klantgroep/deelmarkt. 

Slide 18 - Tekstslide

Drie soorten prijsdiscriminatie:
1e graad: Prijsdiscriminatie verschilt per klant.
2e graad: Prijsdiscriminatie afhankelijk vd hoeveelheid goederen die je verkoopt.
3e graad: Prijsdiscriminatie per klantgroep/deelmarkt. 

Slide 19 - Tekstslide

Drie soorten prijsdiscriminatie:
1e graad: Prijsdiscriminatie verschilt per klant.
2e graad: Prijsdiscriminatie afhankelijk van de hoeveelheid goederen die je verkoopt.
3e graad: Prijsdiscriminatie per klantgroep/deelmarkt. 

Slide 20 - Tekstslide

Staatsbedrijven
Winst maken is niet het doel.
Gevolgen voor efficiëntie en innovatie --> prikkel ontbreekt. 

Privatisering
  • Overheidsbedrijven/taken worden afgestoten naar het particuliere bedrijfsleven. 

Slide 21 - Tekstslide

Veranderingen overheidssector
Oorzaken hoge werkloosheid & hoge staatsschuld. 
  • Gevolg van de overheidsinvloed op de markt
Adam Smith
  • Marktwerking
  • Alleen ingrijpen als markten falen.
  • Onzichtbare hand

Slide 22 - Tekstslide

Toezicht op de markt
Beleid maken en beleid uitvoeren wordt gesplitst. 

Toezicht nodig om twee economische problemen:
  • Principaal-agentprobleem
  • Berovingsprobleem

Slide 23 - Tekstslide

Principaal-agent probleem

Slide 24 - Tekstslide

Principaal- agent probleem 
Drie elementen
- Een principaal-agent relatie: er is een opdrachtgever en een opdrachtnemer
- Er is asymmetrische informatie: agent heeft meer info
- Er zijn tegengestelde belangen

Slide 25 - Tekstslide

Gevolgen principaal-agentrelaties
Hogere transactiekosten voor contracten of controles
Averechtse selectie
Moral hazard

Slide 26 - Tekstslide

Berovingsprobleem
  • Hold-upprobleem
  • Ontstaat als door verzonken kosten de machtsverhoudingen veranderen na het afsluiten van een contract. 
Bijvoorbeeld er wordt een hogere prijs berekent na de contract afspraken. Als het bedrijf niet betaalt zijn de investeringen kwijt. 

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide