8.2 Nederland en de EU

Wat gaan we vandaag doen
  • Uitleg Hoofdstuk 8 paragraaf 2
  • Huiswerk
  • Wat heb je geleerd?
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Wat gaan we vandaag doen
  • Uitleg Hoofdstuk 8 paragraaf 2
  • Huiswerk
  • Wat heb je geleerd?

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen 8.1

- Je weet wat import, export en wederuitvoer is
- Je weet wat een betalingsbalans is en kunt aangeven of er een overschot of een tekort is

- Je kunt import/exportquote uitrekenen en kunt aangeven of er sprake is van een open of gesloten economie

- Je weet waarom Nederland handelt met het buitenland

Slide 2 - Tekstslide

Een Duitser verblijft in een hotel in Volendam. Dit is voor Nederland..
A
Export van goederen
B
Export van diensten
C
Import van goederen
D
Import van diensten

Slide 3 - Quizvraag

Nederlanders houden graag vakantie in het buitenland. Als ze met een buitenlandse vliegmaatschappij reizen dan is er sprake van:
A
export van goederen.
B
export van diensten.
C
import van goederen.
D
import van diensten.

Slide 4 - Quizvraag

Lesdoelen 8.1

- Je weet wat import, export en wederuitvoer is
- Je weet wat een betalingsbalans is en kunt aangeven of er een overschot of een tekort is  opdracht 7 en 8

- Je kunt import/exportquote uitrekenen en kunt aangeven of er sprake is van een open of gesloten economie opdracht 11

- Je weet waarom Nederland handelt met het buitenland
(4x)

Slide 5 - Tekstslide

H8.2 Nederland en de EU
Je leert:
  • Wat voor afspraken er in de Europese Unie gemaakt zijn
  • Hoe belangrijk de Eu voor de Nederlandse handel is
  • Hoe de wisselkoers invloed heeft op de import en export

Je oefent:
  • Onderbouwen waarom het van belang is dat een land dat de euro als betaalmiddel wil invoeren een gezonde economie heeft

Slide 6 - Tekstslide

8.2 Nederland en de EU
  • Europese Unie
  • 27 deelstaten 
  • Samenwerken op economische gebied
Vraag 12

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

8.2 Europa zonder grenzen?
Interne markt
(gemeenschappelijke markt)
  • Grenzen tussen de lidstaten zijn weggevallen
  1. Vrij verkeer van goederen en diensten
  2. Vrij verkeer van personen
  3. Vrij verkeer van kapitaal

Slide 9 - Tekstslide

Vrij verkeer van goederen en diensten
Vrij verkeer van personen
Vrij verkeer van kapitaal
Je gaat in België op vakantie
Je gaat in Duitsland werken
Je spaart je geld bij een bank in Spanje
Je importeert wijn uit Frankrijk

Slide 10 - Sleepvraag

8.2 Europa zonder grenzen?
  • tarieven btw en vennootschapsbelasting
  • milieuregels
Veel samenwerking, maar ook verschillen...
Gelijkwaardige concurrentie belangrijk, dus regels gelijk maken -> harmonisatie
Oefenopgaven blz. 223
opgaven 11 en 13

Slide 11 - Tekstslide

8.2 Europa zonder grenzen?
EMU (Europese Monetaire Unie)
  • 19 EU Landen die deelnemen aan de EMU vormen de eurozone
  • ECB (Europese Centrale Bank) is de centrale bank van landen met de Euro
Taken ECB:
1. eurobiljetten in omloop brengen
2. bewaakt de waarde van de euro
3. bepaalt de rente voor de eu-landen

Slide 12 - Tekstslide

EMU = donker blauw
EU= kleur

Slide 13 - Tekstslide

De euro invoeren
Inflatie
Begrotingstekort
Staatsschuld
Mag maximaal 1,5% hoger zijn dan de gemiddelde inflatie in drie landen met de laagste inflatie. 
Mag maximaal 3% van het bbp zijn. 
Mag maximaal 60% van het bbp zijn. 

Slide 14 - Tekstslide

Bij een stijging van de wisselkoers van buitenlands geld:
= de prijs van de dollar, pond, yen enz. gaat omhoog, dan
  • kost import meer = stijgende importprijzen = dalende import 
  • dan betalen consumenten meer voor geïmporteerde producten
  • dalen de exportprijzen (de € is voor andere landen goedkoper geworden

       --> verbetering concurrentiepositie EMU-landen)

  • dan brengt export meer op = stijgende export = stijgende werkgelegenheid
Voorbeeld:  $1 = € 0,88 --> $1 = € 0,92




Slide 15 - Tekstslide

Inflatie is:
A
dat de prijzen stijgen.
B
er extra geld wordt gemaakt.
C
je geld minder waard wordt.
D
dat het slecht gaat met de banken.

Slide 16 - Quizvraag

Wat zijn vreemde valuta?
A
Buitenlands geld
B
Wisselkoers
C
Provisiekosten
D
Euro's

Slide 17 - Quizvraag

Als de koers van de dollar ten opzichte van de euro daalt, is dat:
A
Gunstig voor de onze export, onze producten zijn voor de Amerikanen goedkoper geworden.
B
ongunstig voor onze export, want onze producten worden voor de Amerikanen duurder om te kopen.
C
niet van invloed op de Nederlandse export, want de Amerikanen betalen in dollars.

Slide 18 - Quizvraag

Als de waarde van een euro gisteren
1 dollar was is en nu 1,30 dollar, dan is de wisselkoers van de euro:
A
gestegen
B
gedaald

Slide 19 - Quizvraag

Als de wisselkoers van de euro stijgt:
A
verbetert onze concurrentiepositie
B
verslechtert onze concurrentiepositie
C
verandert onze concurrentiepositie niet

Slide 20 - Quizvraag

Kees kocht in Amerika 2 spijkerbroeken voor $40,- per stuk.
De wisselkoers was €1,- = $1,35

Wat betaalde Kees voor zijn broeken in euro's?
A
€29,63
B
€59,26
C
€54,-
D
€108,-

Slide 21 - Quizvraag

Albertje komt met $250,- uit Amerika terug van vakantie.
De wisselkoers is €1,35 - €1,29
Hoeveel euro krijgt ze terug als ze haar geld omwisselt?
A
€185,19
B
€193,80
C
€337,50
D
€322,50

Slide 22 - Quizvraag

opdrachten maken

Slide 23 - Tekstslide

Maken hoofdstuk 8 paragraaf 2
opdracht 12 t/m 21
inleveren door middel van foto of bestand

Slide 24 - Open vraag

Slide 25 - Video