In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
Social skills 1 herhaling
Slide 1 - Tekstslide
Wat is actief luisteren?
Slide 2 - Open vraag
Wat houdt LSD in?
A
Laten, Storen, Denken
B
Luisteren, Samenvatten, Doorvragen
C
Leren, Samenwerken, Delen
D
Leven, Sterven, Dromen
Slide 3 - Quizvraag
Wat betekent ANNA?
A
Altijd Nadenken, Niet Afleiden
B
Alles Nauwkeurig, Niet Afmaken
C
Altijd Naar de Ander luisteren
D
Altijd Navragen, Niets aannemen
Slide 4 - Quizvraag
Wat staat OEN voor?
A
Oplossingen En Noodzakelijke Ervaringen
B
Opmerkingen En Negatieve Evaluaties
C
Open, Eerlijk, Nieuwsgierig
D
Onderscheiden, Empathisch, Nauwkeurig
Slide 5 - Quizvraag
Wat is de betekenis van NIVEA?
A
Niets Is Voor Iedereen Aangenaam
B
Nergens In Verder En Ander
C
Niet Invullen Voor Een Ander
D
Nooit Iets Vergeten En Altijd
Slide 6 - Quizvraag
Wat betekent de afkorting OMA?
A
Opmerkingen maken over anderen
B
Oordelen, meningen en adviezen
C
Oog voor de ander
D
Onderzoek met meerdere antwoorden
Slide 7 - Quizvraag
Waar staat de afkorting KOE voor?
A
Kaken op elkaar
B
Kan overal empathie?
C
Kiezen voor Observeren en Evalueren
D
Kan Overal en Eeuwig
Slide 8 - Quizvraag
Waarom is actief luisteren belangrijk in een gesprek met een zorgvrager?
A
Om alleen de feiten te horen
B
Om begrip te tonen en zodat een zorgvrager zich gehoord voelt
C
Om snel het gesprek af te ronden
D
Zodat je stagebegeleider ziet dat je een goede VP bent
Slide 9 - Quizvraag
Wat is het doel van samenvatten tijdens een gesprek?
A
Om het gesprek kort te houden
B
Om te controleren of je de zorgvrager goed hebt begrepen
C
Om de zorgvrager te onderbreken
Slide 10 - Quizvraag
Wat doe je met de techniek ‘doorvragen’?
A
Vragen stellen om dieper inzicht te krijgen in de situatie van de zorgvrager
B
De zorgvrager laten praten zonder in te grijpen
C
Alleen gesloten vragen stellen
Slide 11 - Quizvraag
Welke vraag is een goed voorbeeld van doorvragen?
A
"Heeft u pijn?"
B
"Gaat het goed met u?"
C
"Kunt u uitleggen waar de pijn precies zit en wanneer die erger wordt?"
Slide 12 - Quizvraag
Welke reactie is een voorbeeld van samenvatten?
A
"Dus u zegt dat u zich de laatste tijd erg moe voelt?"
B
"Vertel eens meer over uw dag."
C
"Wat vindt u van uw behandeling?"
Slide 13 - Quizvraag
Wat kun je doen om goed te luisteren tijdens een gesprek?
A
Afleidende dingen doen, zoals op je telefoon kijken
B
Oogcontact maken, knikken en bevestigend reageren
C
De zorgvrager snel onderbreken
Slide 14 - Quizvraag
Wat is een valkuil bij doorvragen?
A
Te veel luisteren
B
Gesloten vragen stellen
C
Te snel aannames maken zonder goed te luisteren
D
Te veel vragen stellen
Slide 15 - Quizvraag
Welke van de volgende uitspraken is een voorbeeld van een open vraag om door te vragen?
A
"Is uw pijn hevig?"
B
"Hoe ervaart u uw situatie nu?"
C
"Heeft u hoofdpijn vandaag?"
Slide 16 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van non-verbale communicatie?
A
Iemand zegt: "Ik ben moe"
B
Iemand typt een berichtje
C
Iemand zucht en wrijft over zijn voorhoofd
D
Iemand vertelt wat hij voelt
Slide 17 - Quizvraag
Wat is een reden waarom gedragscommunicatie belangrijk is in de zorg?
A
Omdat zorgvrager altijd liegen
B
Omdat je sneller een diagnose kunt stellen
C
Omdat zorgvragers soms iets anders zeggen dan ze voelen
D
Omdat woorden in de zorg niet belangrijk zijn
Slide 18 - Quizvraag
Welke van de onderstaande signalen hoort NIET bij gedragscommunicatie?
A
Gezichtsuitdrukking
B
Kleding
C
Medische voorgeschiedenis
D
Lichaamshouding
Slide 19 - Quizvraag
Welke uitspraak klopt het best?
A
Non-verbale communicatie is meestal onbewust
B
Non-verbale communicatie is altijd duidelijk
C
Gedrag is alleen belangrijk bij baby's
D
Non-verbale communicatie heeft weinig invloed
Slide 20 - Quizvraag
Wat moet je als verpleegkundige doen als het gedrag van een patiënt niet klopt bij zijn woorden?
A
Doorgaan met het gesprek zoals gepland
B
De patiënt corrigeren
C
Je observatie negeren
D
Aandacht geven aan het verschil en eventueel doorvragen
Slide 21 - Quizvraag
Een patiënt zegt: "Ik heb nergens last van." Maar vermijdt oogcontact, houdt de armen strak over elkaar en praat met een gespannen stem. Wat laat deze situatie zien?
A
Dat hij zich ontspannen voelt
B
Dat zijn verbale en non-verbale communicatie niet overeenkomen
C
Dat je altijd alleen op woorden moet letten
D
Dat gedragscommunicatie niet belangrijk is
Slide 22 - Quizvraag
welke 3 elementen horen bij een goed gesprek?
A
Empathie tonen
B
Onderbreken van elkaar
C
Actief luisteren
D
Duidelijkheid
Slide 23 - Quizvraag
Waarom is het stellen van open vragen in de zorg vaak beter dan gesloten vragen stellen?
Slide 24 - Open vraag
Noem een situatie waarin gesloten vragen wél nuttig/ wenselijk zijn?