Leven in een industriestad

Leven in een industriestad

1 / 11
volgende
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisSpeciaal OnderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 11 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Leven in een industriestad

Deze les valt binnen de tijd van burgers en stoommachines. Open met het contrast tussen groeiende rijkdom door industrialisatie en de zware leefwereld van veel stadsbewoners.

Lesdoelen

  • Je kunt de werk- en leefomstandigheden van arbeiders benoemen.

  • Je kunt de werk- en leefomstandigheden van de gegoede burgerij en de middenklasse beschrijven.

  • Je kunt uitleggen wat liberalen belangrijk vonden en de begrippen liberalisme, grondrechten en kiesrecht gebruiken..

De gebruiker gaf drie lesdoelen. Volgens de instructie kies ik één doel dat het best door de subtopics wordt gedragen. De andere twee doelen keren terug in de inhoud van de les.

De industriestad groeit snel

  • In de 19e eeuw trokken veel mensen van het platteland naar de stad

  • Zij zochten werk in fabrieken, werkplaatsen en havens

  • Steden groeiden sneller dan ze goed konden worden ingericht

Benadruk verandering over tijd: vóór de industrialisatie woonden en werkten veel mensen kleinschaliger; nu ontstaan grote steden met nieuwe problemen.

Het leven van arbeiders (1/2)

  • Arbeiders maakten lange werkdagen, vaak met nachtdiensten

  • Het werk was zwaar, eentonig en vaak gevaarlijk

  • Lage lonen

  • Als een arbeider ziek is verdiende hij niets



Noem eventueel dat loonarbeid onzeker was: ziekte of ontslag kon direct tot armoede leiden.

Het leven van arbeiders (2)

  • De huizen van de arbeiders lagen dicht bij de fabrieken

    • Slechte hygiëne

    • Geen stromend water en geen riolering

    • Huize waren klein en slecht

  • Door het zware werk, het slechte eten en de ongezonde woonomstandigheden werden arbeiders niet oud.

  • Door geldgebrek konden kinderen niet naar school en moesten ze hun hele leven in de fabriek werken

Verbind werk en wonen: fabrieksarbeid bepaalde niet alleen het inkomen, maar ook waar en hoe mensen leefden.

De gegoede burgerij

  • De gegoede burgerij bestond uit rijke burgers, zoals fabriekseigenaren, advocaten en bankiers

  • Zij profiteerden vaak van de groei van handel en industrie

  • Hun woningen waren ruimer, netjes en comfortabeler dan die van arbeiders

Gebruik consequent de term 'gegoede burgerij'. Leg uit dat het gaat om welgestelde burgers, niet om adel.

De middenklasse

  • De middenklasse bestond uit mensen zoals winkeliers, leraren en kantoorpersoneel

  • Zij hadden meer zekerheid dan arbeiders, maar waren meestal minder rijk dan de gegoede burgerij maar meer dan de arbeiders

  • Werkte niet met hun handen, sommige zijn eigen baas



Kinderen van de gegoede burgerij en van de middenklasse gingen naar school.

Maak het onderscheid scherp: middenklasse zit tussen arbeiders en gegoede burgerij in, zowel sociaal als economisch.

Samenvattend

In dezelfde industriestad leefden groepen heel verschillend.


  • Arbeiders: zwaar werk, lage lonen, slechte huisvesting

  • Middenklasse: meer zekerheid, nettere woningen, status door beroep

  • Gegoede burgerij: veel bezit, invloed en comfort

Benadruk sociale ongelijkheid als historisch kenmerk van de industriestad.

Liberalisme in de 19e eeuw

  • Liberalisme was een belangrijke stroming in de 19e eeuw

  • Liberalen vonden dat de overheid zich niet te veel met de economie moest bemoeien

  • Zij geloofden in vrijheid voor burgers en bedrijven

Houd het historisch: dit gaat om ideeën van 19e-eeuwse liberalen, niet om alle vormen van liberalisme nu.

Economisch idee van liberalen

Een belangrijk economisch idee van liberalen was:


  • Fabriekseigenaren mochten zelf lonen en prijzen bepalen

  • Bedrijven die goede en goedkope producten verkochten, zouden vanzelf veel wint maken

Koppel dit terug aan de industriële samenleving: veel ondernemers uit de burgerij stonden open voor deze ideeën.

Politieke ideeën van liberalen

  • Liberalen wilden grondrechten voor burgers, zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst


  • Maar.... ze vonden niet dat iedereen kiesrecht zou moeten hebben.

    • Alleen de rijke en geschoolde mensen konden een verstandig besluit nemen. (arbeiders mochten niet stemmen)


Benadruk perspectief en beperking: liberalen verdedigden vrijheid, maar niet meteen voor iedereen in gelijke mate.