Leven in een industriestad
Leven in een industriestad
Deze les valt binnen de tijd van burgers en stoommachines. Open met het contrast tussen groeiende rijkdom door industrialisatie en de zware leefwereld van veel stadsbewoners.
Lesdoelen
Je kunt de werk- en leefomstandigheden van arbeiders benoemen.
Je kunt de werk- en leefomstandigheden van de gegoede burgerij en de middenklasse beschrijven.
Je kunt uitleggen wat liberalen belangrijk vonden en de begrippen liberalisme, grondrechten en kiesrecht gebruiken..
De gebruiker gaf drie lesdoelen. Volgens de instructie kies ik één doel dat het best door de subtopics wordt gedragen. De andere twee doelen keren terug in de inhoud van de les.
De industriestad groeit snel
In de 19e eeuw trokken veel mensen van het platteland naar de stad
Zij zochten werk in fabrieken, werkplaatsen en havens
Steden groeiden sneller dan ze goed konden worden ingericht
Benadruk verandering over tijd: vóór de industrialisatie woonden en werkten veel mensen kleinschaliger; nu ontstaan grote steden met nieuwe problemen.
Het leven van arbeiders (1/2)
Arbeiders maakten lange werkdagen, vaak met nachtdiensten
Het werk was zwaar, eentonig en vaak gevaarlijk
Lage lonen
Als een arbeider ziek is verdiende hij niets
Noem eventueel dat loonarbeid onzeker was: ziekte of ontslag kon direct tot armoede leiden.
Het leven van arbeiders (2)
De huizen van de arbeiders lagen dicht bij de fabrieken
Slechte hygiëne
Geen stromend water en geen riolering
Huize waren klein en slecht
Door het zware werk, het slechte eten en de ongezonde woonomstandigheden werden arbeiders niet oud.
Door geldgebrek konden kinderen niet naar school en moesten ze hun hele leven in de fabriek werken
Verbind werk en wonen: fabrieksarbeid bepaalde niet alleen het inkomen, maar ook waar en hoe mensen leefden.
De gegoede burgerij
De gegoede burgerij bestond uit rijke burgers, zoals fabriekseigenaren, advocaten en bankiers
Zij profiteerden vaak van de groei van handel en industrie
Hun woningen waren ruimer, netjes en comfortabeler dan die van arbeiders
Gebruik consequent de term 'gegoede burgerij'. Leg uit dat het gaat om welgestelde burgers, niet om adel.
De middenklasse
De middenklasse bestond uit mensen zoals winkeliers, leraren en kantoorpersoneel
Zij hadden meer zekerheid dan arbeiders, maar waren meestal minder rijk dan de gegoede burgerij maar meer dan de arbeiders
Werkte niet met hun handen, sommige zijn eigen baas
Kinderen van de gegoede burgerij en van de middenklasse gingen naar school.
Maak het onderscheid scherp: middenklasse zit tussen arbeiders en gegoede burgerij in, zowel sociaal als economisch.
Samenvattend
In dezelfde industriestad leefden groepen heel verschillend.
Arbeiders: zwaar werk, lage lonen, slechte huisvesting
Middenklasse: meer zekerheid, nettere woningen, status door beroep
Gegoede burgerij: veel bezit, invloed en comfort
Benadruk sociale ongelijkheid als historisch kenmerk van de industriestad.
Liberalisme in de 19e eeuw
Liberalisme was een belangrijke stroming in de 19e eeuw
Liberalen vonden dat de overheid zich niet te veel met de economie moest bemoeien
Zij geloofden in vrijheid voor burgers en bedrijven
Houd het historisch: dit gaat om ideeën van 19e-eeuwse liberalen, niet om alle vormen van liberalisme nu.
Economisch idee van liberalen
Een belangrijk economisch idee van liberalen was:
Fabriekseigenaren mochten zelf lonen en prijzen bepalen
Bedrijven die goede en goedkope producten verkochten, zouden vanzelf veel wint maken
Koppel dit terug aan de industriële samenleving: veel ondernemers uit de burgerij stonden open voor deze ideeën.
Politieke ideeën van liberalen
Liberalen wilden grondrechten voor burgers, zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst
Maar.... ze vonden niet dat iedereen kiesrecht zou moeten hebben.
Alleen de rijke en geschoolde mensen konden een verstandig besluit nemen. (arbeiders mochten niet stemmen)
Benadruk perspectief en beperking: liberalen verdedigden vrijheid, maar niet meteen voor iedereen in gelijke mate.