sept. 26- TC A1 thema 4 en 6, deel 1

Taalcompleet thema 4 + 6
Wat weet jij nog? Check jouw kennis
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISKMBO

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Taalcompleet thema 4 + 6
Wat weet jij nog? Check jouw kennis

Slide 1 - Tekstslide

Thema 4: eten en de winkel

Slide 2 - Tekstslide

Wat is dit?
A
de markt
B
de keuken
C
de supermarkt
D
de straat

Slide 3 - Quizvraag

Wat is dit?
A
een boterham
B
het brood
C
de botterham
D
het brod

Slide 4 - Quizvraag

Zet deze zin goed:

'naar de supermarkt - gaat- Julia'.

Slide 5 - Open vraag

Zet deze zin goed:

'naar de keuken - de leerlingen - moeten'.

Slide 6 - Open vraag

Thema 6: kleding

Slide 7 - Tekstslide

de maat
nette kleding
ophangen
de kleding
De paskamers

Slide 8 - Sleepvraag

Wat is dit?

Slide 9 - Open vraag

Wat is dit?

Slide 10 - Open vraag

Wat is dit?
Schrijf het enkelvoud

Slide 11 - Open vraag

Wat is dit?

Slide 12 - Open vraag

Wat is dit?

Slide 13 - Open vraag

Wat is dit?

Slide 14 - Open vraag

Thema 4: eten en de winkel

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Welke groenten ken jij?

Slide 17 - Woordweb

Welke soorten fruit ken jij?

Slide 18 - Woordweb

Maak een goede zin
De vrouw........ naar de winkel.
A
ga
B
gaan
C
gaat
D
gat

Slide 19 - Quizvraag

Maak een goede zin:
Sila .......... naar huis.
A
komt
B
kom
C
komen
D
koom

Slide 20 - Quizvraag

Wanneer eet je het ontbijt?

Slide 21 - Open vraag

Enkelvoud-meervoud
Kies het meervoud:

Een boterham - vier ........
A
boterhamen
B
booterhammen
C
boterhammen
D
boterhaamen

Slide 22 - Quizvraag

Enkelvoud-meervoud
Kies het meervoud:

Een appel - vier ........
A
appels
B
appelen
C
apels
D
appelsen

Slide 23 - Quizvraag

Enkelvoud-meervoud
Kies het meervoud:

Een banaan - vier ........
A
banaans
B
baananen
C
banana
D
bananen

Slide 24 - Quizvraag

Wat kun je zeggen als je iets niet lekker vindt?

Maak hele zinnen

Slide 25 - Open vraag

Een kilo is
A
10 gram
B
1000 gram
C
100 gram
D
10 000 gram

Slide 26 - Quizvraag

Een ons is
A
10 gram
B
1000 gram
C
100 gram
D
10 000 gram

Slide 27 - Quizvraag

Hoeveel lettergrepen heeft het woord
'verkoper'?
A
1
B
5
C
2
D
3

Slide 28 - Quizvraag

Hoeveel lettergrepen heeft het woord 'bakker'?
A
2
B
1
C
5
D
4

Slide 29 - Quizvraag

Slide 30 - Tekstslide