LKT - les 1



LKT
1 / 59
volgende
Slide 1: Tekstslide
CommunicatieHBOStudiejaar 3

In deze les zitten 59 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les



LKT

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

LKT
Een landelijke kennistoets test 
of een student over voldoende kennis 
uit de betreffende kennisbasis
beschikt.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toetsafname
november
januari
maart
april
juni

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de toetsduur van de LKT?
A
1 uur
B
1,5 uur
C
2 uur
D
2,5 uur

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel toetsvragen moet je beantwoorden?
A
50
B
60
C
70
D
80

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De LKT test vooral de beheersing van
A
kennis, inzicht en toepassing
B
analyse, synthese en evaluatie

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel vragen moet je goed beantwoorden om de LKT te behalen?
080

Slide 11 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Oktober 2025: 51/80
November 2025: 49/79

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke website moet je zeker bezoeken voorafgaand aan de LKT?

Slide 13 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat moet je leren?
Je leert alleen de stof die hoort bij de paragrafen behorend bij de toetsdoelen. Leer dus niet de hele uitwerking van de kennisbasis. Ook bevat de toets niet alle stof uit de toetsen uit de voorgaande jaren.
Sommige stof in de uitwerking, van nieuwe toetsdoelen, is niet helemaal goed uitgewerkt. Daarom hebben we op Canvas een bestand gezet met uitleg van deze stof.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mondelinge taalvaardigheid 1:
Kiki uit groep 5 is net verhuisd en vertelt in de vertelkring op school hoe haar nieuwe kamer eruit ziet.
Van welke taalfunctie is hier sprake?
A
projecteren
B
rapporteren
C
redeneren

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mondelinge taalvaardigheid 2:
Bart is volop bezig zijn taal te ontwikkelen. Sinds kort gebruikt hij tweewoordzinnen. Van welke fase in de taalontwikkeling is hier sprake?

A
Differentiatiefase
B
Voltooiingsfase
C
Prelinguale fase
D
Vroeglinguale fase

Slide 22 - Quizvraag

d. Vroeglinguale fase: van 1 tot 2,5 jaar. Eerste woordjes

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Woordenschat 1:
Juf Angela zegt tegen Fleur: ‘Een microscoop is een instrument dat een dokter gebruikt. Hij kan daarmee kleine bacteriën en virussen uitvergroot zien.’
Welke woordleerstrategie wordt hier gebruikt?
A
labelen
B
categoriseren
C
netwerkopbouw

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Woordenschat 2:
Hieronder staan vier rijtjes woorden. In welk rijtje zijn alle woorden signaalwoorden?

A
daarna, ten eerste, dit
B
doordat, vervolgens, daarentegen
C
zijn, immers, waar
D
twaalf, niet, waarom

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beginnende geletterdheid 1:
Meester Bart heeft de kinderen een prentenboek aangeboden en vraagt of ze lange woorden uit het verhaal kunnen noemen en woorden die met een /b/ beginnen. Aan welk tussendoel van beginnende geletterdheid wordt hier gewerkt?
A
Alfabetisch principe
B
Relatie tussen gesproken en geschreven taal
C
Functioneel lezen en schrijven
D
Taalbewustzijn

Slide 28 - Quizvraag

Fonologisch bewustzijn:
Auditieve objectivatie  metalinguïstisch bewustzijn (eerste wat in ze opkomt is betekenis)

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beginnende geletterdheid 2:
Lilian leest op haar manier een prentenboek. Ze geeft het verhaal weer in monoloogvorm. Wat is de volgende fase in de spontane leesontwikkeling van Lilian?
A
Het volgen van het verhaal in plaatjes
B
Een verhaal weergeven in dialoogvorm
C
Een verhaal weergeven in een mengeling van spreektaal en schrijftaal
D
Het memoriseren van teksten

Slide 30 - Quizvraag

1.Commentaar geven op plaatjes
2. Het volgen van verhaal in plaatjes
3. Een verhaal weergeven in dialoogvorm (stemmetjes, intonatie)
4. Een verhaal in monoloogvorm (nog steeds met kenmerken spreektaal en verwijzing naar plaatjes)
5. Een verhaal in mengeling spreektaal en schrijftaal
6. Het memoriseren van teksten (ze verbeteren je: dat staat er niet!)

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beginnende geletterdheid 3:
Juf Marijke zegt: ‘Luister. Ik zeg een woord in stukjes /voet/ /bal/ /velt/. Wat is het hele woord?’
Deze oefening is gericht op de vaardigheid:
A
Auditieve discriminatie
B
Auditieve synthese
C
Temporeel ordenen
D
Auditieve analyse

Slide 32 - Quizvraag

Zit ook een stukje temporeel ordenen in: volgorde onthouden

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voortgezet technisch lezen 1:
Een leerling leest het woord ‘mooi’ als /m/ /oo/ /i/. Met welke leesstrategie heeft hij nog problemen?
A
Elementaire leeshandeling
B
Lezen met behulp van clusters en spellingpatronen
C
Lezen met behulp van morfologische analyse
D
Lezen met behulp van de context

Slide 34 - Quizvraag

-ooi = spellingpatroon dat gelezen moet worden als /ooj/

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrijpend lezen 1:
In welk rijtje staan allemaal voorbeelden van directieve teksten?
A
Een handleiding, een recept, een routebeschrijving
B
Een verslag, een essay, een toneelstuk
C
Een pamflet, een weerbericht, een interview
D
Een advertentie, een gebruiksaanwijzing, een poster

Slide 36 - Quizvraag

Directieve tekst = tekst waarin een bepaalde handeling of procedure wordt weergegeven
Je hebt verhalende, informatieve, directieve, beschouwende en argumentatieve teksten

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrijpend lezen 2:
Pascal leest een tekst over het ontstaan van de Tour de France aandachtig door. Hij zet strepen in de tekst en schrijft een aantal vragen in de kantlijn. Welke uitspraak typeert het gedrag van Pascal zo volledig mogelijk?
A
Pascal is bezig met begrijpend lezen.
B
Pascal past technieken voor informatieverwerking toe.
C
Pascal gebruikt de leesstrategie ‘opsporen van structuur’.
D
Pascal reflecteert op zijn eigen leesactiviteiten en resultaten.

Slide 38 - Quizvraag

Ander woord hiervoor: studietechnieken

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stellen 1:
Drie kinderen staan tegen elkaar op te scheppen. Wat ze vertellen is veelal verzonnen en behoorlijk overdreven. Hierna staat wat het eerste kind vertelt:
Wij zijn naar een groot sportfestijn geweest. Het was wel drie uur rijden. Mijn broer deed mee aan het hoogspringen. Nou, hij sprong zo over een paard. Bij het hardlopen liep mijn zus zo snel, dat ze al voor het startschot weer terug was.
Schrijf jij nu het verhaal van het tweede kind. Maak het steeds meer overdreven.
Op welke stelvaardigheid ligt in deze opdracht de nadruk?
A
Formuleren
B
Structureren van de tekst
C
Verzamelen, selecteren en ordenen van de inhoud
D
Bepalen doel, publiek en tekstsoort

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stellen 2:
Wat wordt verstaan onder coderen?
A
Het zorgvuldig kiezen van je woorden
B
Het verwoorden van de inhoud van de tekst
C
Het toepassen van taalregels
D
Het hanteren van een bepaalde schrijfstijl

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Coderen
Het toepassen van taalregels.
De overige drie antwoorden passen bij 'formuleren'

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Jeugdliteratuur 1:
Jeugdboeken kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld in genres. Op grond van welk criterium zijn de volgende jeugdboeken ingedeeld: informatieve boeken, prentenboeken, poëzie?
A
Thema
B
De verhouding tussen woord en beeld
C
Doelstelling
D
Vorm

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Jeugdliteratuur 2:
Op peuteren.nl staat de volgende recensie:
Dit boek is een goed concept. Enerzijds wordt een spannend verhaal verteld, aan de andere kant wordt er interessante (achtergrond-, historische en culturele) informatie gegeven. Op deze manier leren kinderen op een leuke manier meer over het land en diens gewoontes. In het boek zijn ook diverse zoekspelletjes en doewerkjes te vinden. Kortom, een hartstikke leuk en vooral interessant boek voor ieder kind dat meer te weten wil komen over andere culturen. Het boek is ook geschikt te gebruiken in het basisonderwijs, wanneer het thema Indonesië wordt behandeld.
Vanuit welke beoordelingscriteria is deze recensie geschreven?
A
Sociale criteria
B
Ideologische criteria
C
Literaire criteria
D
Pedagogische criteria

Slide 46 - Quizvraag

Pedagogisch = op ontwikkeling gericht
Ideologisch = op normen en waarden

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taalbeschouwing 1:
In het woord ‘massagebed’ is sprake van een bijzonderheid op:
A
Morfologisch niveau
B
Syntactisch niveau
C
Semantisch niveau
D
Pragmatisch niveau

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taalbeschouwing 2:
Jeroen zegt: ‘Een fiets is een voertuig op vier wielen.’ Op welk niveau van de taal maakt hij een fout?
A
Morfologisch niveau
B
Syntactisch niveau
C
Pragmatisch niveau
D
Semantisch niveau

Slide 50 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taalbeschouwing 4:
Iemand die zegt dat als je het woord ‘lepel’ van achteren naar voren leest, er precies hetzelfde staat, gebruikt de taalbeschouwingsstrategie:
A
analyseren
B
relateren
C
vergelijken
D
herordenen

Slide 52 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

mentor
dichtbij
valkuil

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taalbeschouwing 3:
Hoeveel fonemen zitten er in het woord ‘lotgevallen’?
A
4
B
9
C
10
D
11

Slide 54 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spelling 1:
In welk woord geldt het syllabisch principe:
A
duidelijk
B
verhaal
C
kleinste
D
veter

Slide 56 - Quizvraag

Verenkelingsregel

Slide 57 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spelling 2:
Welk rijtje woorden behoort tot dezelfde spellingcategorie?
A
Elf, snoek, pink, lus
B
Haai, klas, spin, kruk
C
Struik, poes, fluit, dans
D
Bank, fles, moe, tas

Slide 58 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies