Hoofdstuk 12-Naar de evenementenhal

Nederlands in gang H12
Naar de evenementenhal

1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2HBOStudiejaar 1

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Nederlands in gang H12
Naar de evenementenhal

Slide 1 - Tekstslide

12.1 Dialoog
12.1 Dialoog met pauzes

Slide 2 - Tekstslide

1. Ik kan de weg vragen/wijzen
2. Ik kan een route beschrijven.
3. Ik kan scheidbare werkwoorden (separable verbs) gebruiken.
4. Ik ken de uitspraak van de /ou/au/ en de /ui/

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Opdracht 1

  • Bedenk zelf vragen bij de dialoog.
  • Gebruik de gegeven woorden.
  • Schrijf de vragen op.

Voorbeeld:
Wat - Kirsten - voorbijganger?


Wat vraagt Kirsten aan de voorbijganger?




Zinsvolgorde:

Vraagwoord | werkwoord | rest
of
vraagwoord | werkwoord | wie-wat |rest

Hoe | gaat | Kirsten | naar de wandelbeurs?

of 
werkwoord | subject | rest
Gaat | Kristen | naar de wandelbeurs?

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht 1
Waar is Kirsten?
Wat vroeg Kirsten aan de buschauffeur?
Kan ik met de tram naar de evenementenhal? Of kan ik lopen?
Welke lijn gaat naar de evenementenhal?
In welke hal is de wandelbeurs?
Wat geeft de portier aan Kirsten?
Waar zijn de toiletten?

Slide 6 - Tekstslide

De weg vragen 
Vraag
Antwoord
Mag ik u iets vragen?
Ja, natuurlijk. Ga uw gang.
Nee sorry, ik heb geen tijd.
Bent u hier bekend?
Nee, ik ben hier op vakantie.
Ja, ik kom hier vandaan.
Weet u waar (.....) is?
U gaat in die richting en daarna volgt u de bordjes.
Nee, ik kan u helaas niet helpen.
Ik zoek een toilet.
De toiletten zijn daar aan de rechterkant van de weg.

Slide 7 - Tekstslide

De weg wijzen  
U gaat hier rechtdoor.
De bar is aan de rechterkant.
U steekt de straat over.
Het zwembad is aan de overkant.
U gaat linksaf/rechtsaf.
De tram stopt tegenover de ingang.
Aan het eind van de straat gaat u linksaf/rechtsaf.
U gaat de trap op / naar naar boven / beneden.
U neemt de eerste/tweede straat links/rechts
U gaat in die richting.
Volg de bordjes

Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 2
Mag ik u iets vragen?
Ik zoek ....
nummer van de hal: bijvoorbeeld 296
Kunt u dat nog een keer zeggen?
Weet u waar .... is?
nummer van de hal:
bijv
Zijn/is er ook ergens?
buffetten /toiletten/horeca
Sorry, ik begrijp het niet.
Kunt u mij helpen?
Ik zoek ....
Wilt u dat herhalen?
Weet u waar .... is?
Zijn/is er ook ergens?
Sorry, ik versta u niet.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Slide 11 - Video

Separabele verba - 2

zinnen met één verbum
zinnen met twee verba
Ik was na het eten af.
Ik moet na het eten afwassen.

Slide 12 - Tekstslide

Scheidbare werkwoorden

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

oversteken (presens)
A
Hij steekt over de straat.
B
Hij steekt de straat over.
C
Wij oversteken de straat.
D
Wij steken de straat over.

Slide 17 - Quizvraag

samenwonen (presens)
A
Carol woont samen.
B
Carol samenwoont.
C
Samenwoont Carol.
D
Carol woontsamen.

Slide 18 - Quizvraag

afspreken (presens)
A
Hoe laat we afspreken?
B
Hoe laat spreek we af?
C
Hoe laat we af spreken?
D
Hoe laat spreken we af?

Slide 19 - Quizvraag

afgaan (presens)
A
U gaat af hier de trap.
B
U gaat de trap af hier.
C
U gaat hier de trap af.
D
U afgaat hier de trap.

Slide 20 - Quizvraag

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht 4 

Maak de zinnen compleet. Gebruik de goede vorm van het werkwoord.

Voorbeeld: aankomen (presens)
De tram om 12.00 uur bij de Evenementenhal.
De tram komt om 12.00 uur bij de Evenementenhal aan.

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

presens - imperfectum - perfectum
scheidbare werkwoorden
Quizvragen (6)

Slide 24 - Tekstslide

presens - imperfectum - perfectum
scheidbare werkwoorden
Voorbeeld: aankomen 
presens
De tram komt om 12.00 uur bij de Evenementenhal aan.
imperfectum
De tram kwam om 12.00 uur bij de Evenementenhal aan.
perfectum
De tram is om 12.00 uur bij de Evenementenhal aangekomen.

Slide 25 - Tekstslide

tegenkomen (imperfectum)
A
Gister kwam ik Zhi-Ting tegen.
B
Gister kwamtegen ik Zhi-Ting.
C
Gister ik kwam Zhi-Ting tegen.
D
Ik kwam Zhi-Ting gisteren tegen.

Slide 26 - Quizvraag

samenwonen (perfectum)
A
Wij hebben op de Filipijnen samengewoond.
B
Wij samen hebben gewoond op de Filipijnen.
C
Wij hebben samen op de Filipijnen gewoond.
D
Op de Filipijnen hebben we samengewoond.

Slide 27 - Quizvraag

afrekenen (perfectum)
A
Heb jij de koffie al afrekend?
B
Heb jij de koffie al af gerekend?
C
Heb jij de koffie al afgerekend?
D
Heb jij de koffie al afgerekent?

Slide 28 - Quizvraag

afrekenen (imperfectum)
A
Rekende jij de drankjes al af?
B
Jij rekende de drankjes al af.
C
Afrekende jij de drankjes al?
D
Jij afrekende de drankjes al.

Slide 29 - Quizvraag

instappen (imperfectum)
A
Stapte jij in bij het station?
B
Jij instapte bij het station.
C
Instapte jij bij het station?
D
Jij stapte in bij het station.

Slide 30 - Quizvraag

meenemen (perfectum)
A
Heb jij de plattegrond meegeneemt?
B
Jij hebt de plattegrond meegenomen.
C
Heb jij mee de plattegrond genomen?
D
Heb jij de plattegrond meegenomen?

Slide 31 - Quizvraag

Opdracht 5
  1. Welke drie dingen heb je vandaag meegenomen in je tas?
  2. Wat kun je opendoen? Noem drie dingen in je huis.
  3. Met welke dingen kun je verdergaan? Noem drie dingen.
  4. Wie kwam je gisteren tegen? Noem drie personen.
  5. Weke drie dingen kun je oversteken?
  6. Welke drie dingen heb je gisteren afgerekend?
  7. Met welke drie mensen wil je graag iets afspreken?

Slide 32 - Tekstslide

Opdracht 6
  1. Bedenk drie vragen met een scheidbaar werkwoord. 
  2. Schrijf ze eerst op.
  3. Stel je vragen aan een medecursist.

Slide 33 - Tekstslide

Opdracht 8: reageer op deze e-mail
Beste Peter,

Volgende week woensdag kom ik dus. Ik kom met de trein. Waar moet ik uitstappen? En wat is de route naar je huis? Kun je me dat nog even mailen? Alvast bedankt en tot volgende week woensdag.

Groeten,
Irina

Slide 34 - Tekstslide

12.5 Lees de tekst.
Opdracht 9.
Geef een reactie op de vragen.
Reageer met een hele zin.

Slide 35 - Tekstslide

Opdracht 7
1 = ik
2 = jij|u
3 = hij|zij
4 = wij
5 = jullie
6 = zij
aankomen
instappen
meenemen
oversteken
zich vergissen
zich vervelen
fietsen
lopen


Slide 36 - Tekstslide

Dictogloss - groepjes van 3
  • ronde 1 --> alleen luisteren

  • ronde 2 --> aantekeningen maken

  • In drietallen bespreken wat jullie hebben gehoord.

  • Eén persoon uit het groepje schrijft het verhaaltje op.

  • Eén persoon uit het groepje leest het verhaal voor. 

  •  Controle

Slide 37 - Tekstslide

Ronde 1


De docent leest het verhaal en iedereen luistert.

De vergissing

Slide 38 - Tekstslide

Ronde 2


Maak aantekeningen.

Schrijf geen hele zinnen. Schrijf alleen belangrijke woorden.
De vergissing

Slide 39 - Tekstslide

Opdracht 1
  • Bespreek in drietallen wat jullie hebben gehoord. 
  • Kijk naar je aantekeningen. 
timer
3:00

Slide 40 - Tekstslide

Opdracht 2
Schrijf samen het verhaal. 
Elk groepje schrijft dus één verhaal.
Let op de volgorde van de zin. 
Let op de tijd van het werkwoord.

timer
7:00

Slide 41 - Tekstslide

Opdracht 3
Lees jullie verhaaltje voor.

Slide 42 - Tekstslide

Gisteren waste ik me snel en kleedde ik me aan.
Ik haastte me, want ik moest naar mijn werk.
Toen ik buiten kwam, zag ik dat ik me vergist had. Het was zondag!

Ik heb me aangekleed, ik heb me gehaast, maar ik hoefde nergens heen.
Dus  heb ik me weer uitgekleed en heb ik me op de bank laten vallen.
Ik heb me nog nooit zo vergist… maar het was eigenlijk best fijn.
  • Kijk naar de originele tekst.
  • Klopt het met jullie tekst
  • Heb je alle belangrijke informatie?
  • Wat ben je vergeten?
  • Kijk naar de zinnen met scheidbare werkwoorden.
  • Welke zinnen staan in het imperfectum?
  • Welke zinnen staan in het perfectum? 

Slide 43 - Tekstslide

/ou/au/ en /ui/
 opdracht 10 https://portal.coutinho.nl/fileadmin/documenten/nederlandsingang3/audio/h12-opdr10.mp3
opdracht 11
https://portal.coutinho.nl/fileadmin/documenten/nederlandsingang3/audio/h12-opdr11.mp3

Slide 44 - Tekstslide