TC A2 4.4 hij het ze en herhaling

NT2 TC A2 4.4 hij, het, ze
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsBeroepsopleiding

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 17 min

Onderdelen in deze les

NT2 TC A2 4.4 hij, het, ze

Slide 1 - Tekstslide

4.4 Hij, het, ze

Slide 2 - Tekstslide

Met de woorden hij en zij kun je praten over mensen

De man koopt een fiets. Hij betaalt contant.
De vrouw gaat naar Emmeloord. Ze gaat op de fiets.
De cursisten zijn blij. Ze zijn allemaal geslaagd.

Slide 3 - Tekstslide

Met hij, het en ze kun je praten over dingen.

Wanneer gebruik je deze woordjes?

  • de-woorden: de auto, de winkel, de fiets         ->   hij
  • het-woorden: het boek, het huis, het glas       ->   het
  • meervoud: de schoenen, de boeken                 ->   ze

Slide 4 - Tekstslide

Vul bij de vragen het goede woord in. Kies uit:
Hij
Het
Ze

Slide 5 - Tekstslide

Johan heeft een nieuwe broek.
................. was heel duur.

Slide 6 - Open vraag

Onze auto staat naast de weg.
.......... is kapot.

Slide 7 - Open vraag

Ruud pakt geld.
................... zit in zijn zak.

Slide 8 - Open vraag

Ik zoek de pillen.
................... zitten in een doosje.

Slide 9 - Open vraag

De nieuwe jas is rood.
................... kost 85 euro.

Slide 10 - Open vraag

Ozan zoekt een boek voor zijn school. ........................ heet Taalcompleet A2.

Slide 11 - Open vraag

De cursus duurt 4 jaar.
................ start in september.

Slide 12 - Open vraag

Wij zijn blij met de nieuwe computers. ............... zijn snel.

Slide 13 - Open vraag

Waar zijn de kinderen?
.................... zijn buiten.

Slide 14 - Open vraag

Waar is je telefoon?
..................... ligt op tafel.

Slide 15 - Open vraag

Wij eten koekjes.
........................ zijn lekker.

Slide 16 - Open vraag

Van wie zijn deze spullen?
.................. zijn van mij.

Slide 17 - Open vraag

Het vest kost normaal 50 euro.
............... kost nu 25 euro.

Slide 18 - Open vraag

Ik zie niks door het raam.
............... is erg vies.

Slide 19 - Open vraag