Herhaling 6.1, 6.2 en 6.3

Herhaling


6. 1. Leven tussen verschillende culturen
6.2 Hoe kijk je tegen anderen aan?
6.3 Migratie in Nederland
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijleerMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Herhaling


6. 1. Leven tussen verschillende culturen
6.2 Hoe kijk je tegen anderen aan?
6.3 Migratie in Nederland

Slide 1 - Tekstslide

Nakijken

  • Opdracht 1, 4, 7, 8, 9 en 10 op blz. 112 en 113. 

Slide 2 - Tekstslide

Pluriforme samenleving


Samenleving van mensen met verschillende
culturen en leefstijlen 
Pluriform betekent veelvormig

Slide 3 - Tekstslide

Dominante cultuur
  • De normen, waarden en gewoonten van de meeste mensen in een land

  • Bijvoorbeeld: de intocht van Sinterklaas of 's avonds rond zes uur warm eten

  • Maar ook: vrijheid van meningsuiting en gelijke behandeling van vrouwen

Slide 4 - Tekstslide

Subculturen
  • Een subcultuur is de cultuur van een kleine groep binnen de samenleving, bijvoorbeeld door: muzieksmaak, land van herkomst, werk of geloof

  • Je gedraagt je volgens deze normen, waarden en gewoonten

  • Je hoort meestal niet bij één subcultuur

Slide 5 - Tekstslide



Het woord Pluriform betekent:
A
veel talen
B
veel landen
C
veel mensen
D
veelkleurig

Slide 6 - Quizvraag


Kenmerken van een pluriforme samenleving zijn:
A
Er is één dominante cultuur en veel subculturen
B
Er is maar één godsdienst toegestaan
C
subculturen zijn verboden

Slide 7 - Quizvraag


De nederlandse taal hoort bij:
A
de nederlandse etnische cultuur
B
de nederlandse subcultuur
C
de dominante duitse cultuur
D
de dominante nederlandse cultuur

Slide 8 - Quizvraag

Wat hoort er niet bij de Nederlandse pluriforme samenleving?
A
Verschillende subculturen
B
Verschillende godsdiensten
C
Dezelfde kledingstijl bij alle Nederlanders
D
Een dominante cultuur

Slide 9 - Quizvraag

Stereotypen

Een vooroordeel over een hele groep, 
niet op één persoon

Slide 10 - Tekstslide

Voorbeelden
  • "Marokkanen zijn criminelen."

  • "Surinamers zijn lui."

  • "Blondjes zijn dom."

  • "...en Belgen ook!"

Slide 11 - Tekstslide

Wat is discriminatie?
A
Iemand uitschelden
B
Ruzie zoeken met iemand
C
Iemand slecht behandelen omdat hij/zij anders is
D
Iemand slecht behandelen omdat hij/zij een andere huidskleur heeft

Slide 12 - Quizvraag

Een ander woord voor Tolerantie is:
A
Respect
B
Verdraagzaamheid
C
Onverschilligheid
D
Gelijkwaardigheid

Slide 13 - Quizvraag

Wat is een traditie die vooral in Nederland wordt gevierd?
A
Kerst
B
Pasen
C
Sinterklaas
D
Halloween

Slide 14 - Quizvraag

Wanneer is Koningsdag?
A
27 april
B
30 april
C
1 januari
D
5 mei

Slide 15 - Quizvraag

Wat sluiten moslims af tijdens suikerfeest of wat herdenken zij?
A
Het schrijven van de Koran
B
Het einde van de Ramadan
C
De geboorte van Mohamed
D
Het begin van de Ramadan

Slide 16 - Quizvraag

Ethnische subculturen

Subculturen gebaseerd op
land van herkomst, zoals: 
Turken, Surinamers, Antilianen, Marokkanen

Slide 17 - Tekstslide

Subculturen verschillen

In plaats
In tijd
Per groep

Slide 18 - Tekstslide

Allochtoon of autochtoon?
Allochtoon
Jij of een van je ouders is in het buitenland geboren (en opgegroeid)

Autochtoon
Jij én je beide ouders zijn in Nederland geboren

Slide 19 - Tekstslide

Wanneer is iemand een allochtoon?
A
De persoon heeft een andere huidskleur
B
De persoon of één van zijn ouders is in het buitenland geboren
C
De persoon spreekt een dialect
D
De persoon heeft een andere kledingstijl

Slide 20 - Quizvraag

Voorbeelden
-Jasper is in Nederland geboren maar zijn moeder is geboren in Noorwegen.    Autochtoon of allochtoon?
-Anne is geboren in Utrecht en haar ouders in Dordrecht.
Autochtoon of allochtoon?
Let op!
-Lorenzo is geboren in Leeuwarden en zijn opa is geboren in India.  Autochtoon of allochtoon?

Slide 21 - Tekstslide

Wat is geen feest wat bij een speciaal geloof past?
A
Suikerfeest
B
Bevrijdingsdag
C
Kerst
D
Pasen

Slide 22 - Quizvraag


Is Koning Willem Alexander een autochtoon?
A
Ja, hij is in Nederland geboren
B
Nee, zijn vader is Duits dus is hij allochtoon
C
Ja, hij spreekt vloeiend Nederlands
D
Nee, zijn vrouw wel

Slide 23 - Quizvraag

Waar komt de naam Gastarbeiders
vandaan?
A
Omdat ze hier in hotels verbleven
B
omdat wij ze niet betaalden, alleen hun hotel
C
omdat we een uitwisseling met hen hadden
D
Omdat ze hier te gast waren

Slide 24 - Quizvraag

uit welke landen kwamen de eerste gastarbeiders?
A
Italie, Spanje, Marokko, Turkije
B
België en Frankrijk
C
Polen en Roemenië
D
Scandinavië

Slide 25 - Quizvraag

Waarom emigreren mensen naar Nederland?

Slide 26 - Tekstslide

Veiligheid

Door oorlog in het eigen land of 
een andere politiek mening loopt men gevaar

Deze vluchtelingen zoeken asiel (veilige plaats)

Slide 27 - Tekstslide

Werk

Arbeidsmigranten (vroeger: gastarbeiders)
komen naar Nederland om hier tijdelijk te werken

In de jaren '60 en '70 van de 20e eeuw: Turken, Marokkanen, Spanjaarden enz.
In de jaren '00 en '10 van de 21e eeuw: Polen, Roemenen en Bulgaren

Slide 28 - Tekstslide

Koloniaal verleden

Toen de Nederlandse kolonies onafhankelijk werden,
kozen veel inwoners voor meer zekerheid in Nederland

Sommigen waren bang voor de onzekere economische of 
politieke situatie in hun eigen land

Slide 29 - Tekstslide

Gezin

Gezinshereniging
gezin mag overkomen uit ander land, als bijvoorbeel de vader hier al woont

Gezinsvorming:
je haalt iemand uit het buitenland om mee te trouwen

Slide 30 - Tekstslide

Studie




Studeren in Nederland levert voordelen op voor de
buitenlandse student, maar ook voor de Nederlandse economie

Slide 31 - Tekstslide

Van welke groep zijn er het meest in Nederland?
A
Duitsers
B
Surinamers
C
Belgen
D
Polen

Slide 32 - Quizvraag

Maken
Blz. 124 samenvatting van 6.1, 6.2 en 6.3.

Slide 33 - Tekstslide