ASV Functioneel rekenen: Rekenverhalen + - x : tot 100

ASV Functioneel rekenen: Rekenverhalen

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorASVBuitengewoon secundair onderwijsType 9Opleidingsvorm 2

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

ASV Functioneel rekenen: Rekenverhalen

Open de les als instap: het doel is leerlingen vertrouwd maken met één eenvoudige aanpak voor rekenverhalen, als voorbereiding op zelfstandig of begeleid verder werken in een bundel.

Lesdoel

Ik kan:

in een rekenverhaal de gepaste bewerking kiezen

de bewerking correct uitrekenen met een methode die bij mij past

Deze slide heeft geen instructies

Stap 1: lees het rekenverhaal en de vraag

Lees rustig wat er gevraagd wordt.


Zoek het antwoordwoord in de vraag, bijvoorbeeld:

  • euro

  • minuten

  • berichten

  • tickets


Denk: Wat moet ik precies weten?

Benadruk dat leerlingen niet meteen beginnen rekenen. Eerst begrijpen wat de vraag vraagt.

Stap 2: zoek de getallen

Markeer de belangrijke getallen.


Let op woorden die helpen kiezen:

  • samen, erbij, meer

  • over, verschil, minder

  • keer

  • verdelen, per

Koppel de signaalwoorden al voorzichtig aan bewerkingen, zonder te zeggen dat één woord altijd automatisch één bewerking betekent.

Stap 3: bepaal je bewerking en kies je methode

  • optellen (+): samen, erbij, in totaal

  • aftrekken (-): over, minder, verschil

  • vermenigvuldigen (×): evenveel groepjes, elke keer

  • delen (:): verdelen, per, elk

    Kies een manier die voor jou werkt:

  • uit het hoofd

  • cijferen

  • rekenmachine

  • andere



Leg uit dat het doel correct rekenen is volgens eigen mogelijkheden, niet per se allemaal op dezelfde manier.

Stap 4 en 5: reken en schrijf

  • Noteer je bewerking.

  • Reken uit.

  • Schrijf een volledig antwoord.


Niet alleen `24`, maar bijvoorbeeld:

Er zijn 24 tickets verkocht.

Benadruk dat het antwoord moet passen bij de vraag en liefst het juiste woord van de situatie gebruikt.

Voorbeeld van een rekenverhaal

Max verzamelt 48 schelpen en Tiebe 38 meer.


Vraag: Hoeveel schelpen verzamelen Max en Tiebe samen?


Hier lees je eerst goed de situatie en de vraag.

Gebruik dit voorbeeld enkel om de opmaak en denkwijze te tonen. Je kunt mondeling laten opmerken dat '38 meer' betekent: Tiebe heeft 38 meer dan Max.

Het voorbeeld stap voor stap

Getallen:


Methode: kies wat past


Bewerking:


Antwoord: ... schelpen.

Max verzamelt 48 schelpen en Tiebe 38 meer.


Vraag: Hoeveel schelpen verzamelen Max en Tiebe samen?


Didactisch vereenvoudigd voorbeeld om de instap helder te houden: focus op het herkennen van de bewerking en het noteren van een volledig antwoord.

Rekenverhaal 1

Noor krijgt 14 berichten in de ochtend en 9 berichten in de namiddag.


Hoeveel berichten krijgt Noor samen?

Bewerking:
Antwoord:

Optelsom met kleine getallen, geschikt voor hoofdrekenen.

Rekenverhaal 2

Voor een film worden 27 tickets online verkocht en 15 aan de kassa.


Hoeveel tickets zijn er in totaal verkocht?


Bewerking:
Antwoord:

Nog een optelsom, nu in context van vrije tijd.

Rekenverhaal 3

In een pennenzak zitten 36 stiften. 8 stiften zijn leeg.


Hoeveel stiften kunnen nog gebruikt worden?


Bewerking:
Antwoord:

Aftrekking in schoolcontext. Wijs op woorden als 'nog' en 'zijn leeg'.

Rekenverhaal 4

Yassin heeft 52 gamepunten. Hij gebruikt er 19 voor een nieuw item.


Hoeveel gamepunten heeft hij over?


Bewerking:
Antwoord:

Aftrekking met iets grotere getallen; leerlingen kunnen kiezen tussen hoofdrekenen, tussenstappen, cijferen of rekenmachine.

Rekenverhaal 5

Een klas neemt 4 pakken water mee. In elk pak zitten 6 waterflessen.


Hoeveel waterflessen zijn er samen?


Bewerking:
Antwoord:

Eerste vermenigvuldiging met herhaald optellen als denksteun.

Rekenverhaal 6

Een medewerker legt 5 stapels polsbandjes klaar. In elke stapel zitten 8 polsbandjes.


Hoeveel polsbandjes zijn dat samen?


Bewerking:
Antwoord:

Vermenigvuldiging in evenementcontext uit de leefwereld van jongeren.

Rekenverhaal 7

Er zijn 24 pizzastukken. Ze worden eerlijk verdeeld over 6 jongeren.


Hoeveel stukken krijgt elke jongere?


Bewerking:
Antwoord:

Eenvoudige deling met concreet verdelen.

Rekenverhaal 8

Een leerkracht heeft 35 hesjes. Ze verdeelt die over 5 teams.


Hoeveel hesjes krijgt elk team?


Bewerking:
Antwoord:

Deling met exact resultaat, zonder rest.

Rekenverhaal 9

Een busabonnement kost 18 euro. Liam heeft 25 euro.


Hoeveel euro houdt Liam over na het betalen?


Bewerking:
Antwoord:

Aftrekking met geldbedragen; let op het antwoordwoord 'euro'.

Rekenverhaal 10

Voor de lunch koopt een groep 3 dozen met broodjes. In elke doos zitten 12 broodjes.


Hoeveel broodjes zijn er samen?


Bewerking:
Antwoord:

Laat ruimte voor verschillende methodes: hoofdrekenen, tussenstappen of rekenmachine.

Woordenlijst

rekenverhaal - een korte situatie met een vraag waarin je moet rekenen

bewerking - de som die je kiest: +, -, × of :

optellen - getallen samen nemen

aftrekken - iets wegnemen of het verschil zoeken

vermenigvuldigen - even grote groepjes samen nemen

delen - eerlijk verdelen of per groep bekijken

in totaal - alles samen

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

over - wat er nog blijft

verschil - hoeveel meer of minder

methode - de manier waarop je rekent

hoofdrekenen - rekenen zonder alles op te schrijven

tussenstappen - kleine stapjes die je noteert

cijferen - een som netjes onder elkaar uitrekenen

rekenmachine - hulpmiddel om een som uit te rekenen

Deze slide heeft geen instructies