Les 4 / Spaans A1 / 21 november

¡Bienvenidos a todos!
¿Qué tal?
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansBeroepsopleiding

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos a todos!
¿Qué tal?

Slide 1 - Tekstslide

¿Qué vamos a hacer?

Wat gaan we doen?
  • Huiswerk nakijken
  • Herhaling groeten
  • Herhalen en leren hoe je jezelf voorstelt: wie je bent, hoe oud je bent, waar je vandaan komt
  • De vraagwoorden
  • Het werkwoord "ser" = zijn

Slide 2 - Tekstslide

Los pronombres personales

Slide 3 - Tekstslide

Presentarse - Jezelf voorstellen
Hola/ Buenos días/ Buenas tardes/ Buenas noches
¿Cómo estás? / ¿Qué tal?
Soy / Me llamo ...
Tengo ... años
Vivo en ...
Soy de ...
Trabajo en...

Slide 4 - Tekstslide

Ejercicio de escucha
Luister goed, schrijf mee wat je kunt verstaan:
1 B

Slide 5 - Tekstslide

¿Cómo se llama? - Hoe heet ze?
A
María
B
Olivia

Slide 6 - Quizvraag

¿Dónde vive? - Waar woont ze?
A
Pamplona
B
Madrid

Slide 7 - Quizvraag

Heb je verstaan welke nationaliteit ze heeft en waar ze werkt? Zo ja, schrijf op

Slide 8 - Open vraag

Ejercicio de escucha
Fragment 1: hoe heet zij? 
hoe heet hij?
waar komt zij vandaan?
waar komt hij vandaan?

Fragment 2: hoe heten de mannen?
wat vragen ze aan elkaar?

Fragment 3: waar komt Margarita vandaan? 
waar komen Gabriel en Ana vandaan?
1
2
3

Slide 9 - Tekstslide

¡Juego!
  • quién
  • qué
  • dónde
  • cómo

  • ¿Qué significa la palabra? wat betekent het woord?

Slide 10 - Tekstslide

Wie, wat, waar, waarom....
¿Quién eres? Wie ben jij? --> Soy....
¿Cómo te llamas? --> Me llamo ....
¿Cómo estás? --> Bien
¿Cúantos años tienes? (Hoeveel jaren heb jij = Hoe oud ben jij?)---> Tengo...
¿Dónde vives? --> Vivo en Hoorn
¿De dónde eres? --> Soy de Holanda

Slide 11 - Tekstslide

Palabras de pregunta
  • ¿Qué?
  • ¿Cómo?
  • ¿Cuándo?
  • ¿Cuánto?*
  • ¿Dónde? / ¿De dónde?
  • ¿Quién?*
  • ¿Por qué?
Wat?
Hoe?
Wanneer? 
Hoeveel?
Waar? / Waar vandaan?
Wie? 
Waarom?

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Ser                                   zijn
.
yo 

él / ella / usted
 

nosotros / -as
vosotros / -as
ellos / ellas / ustedes

soy
eres
es

somos
sois
son
ik ben
jij bent
hij / zij is & u bent

wij zijn
jullie zijn
zij zijn

Slide 14 - Tekstslide

Los deberes
Woordjes leren! Volgende keer een toetsje!


¡Adiós!

Slide 15 - Tekstslide