Licht

Licht
6.2
1 / 61
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 61 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Licht
6.2

Slide 1 - Tekstslide

Licht les 1
Doelen:
6.2.1 Je kunt de kenmerken van positieve en negatieve lenzen uitleggen.
6.2.a. Je kunt het brandpunt en de brandpuntafstand bepalen van een positieve en van een negatieve lens.
6.2.b. Je kunt de lenssterkte berekenen met de formule S=1/f

 






Slide 2 - Tekstslide

Planning
  1. Wat weet je nog van de vorige les?
  2. H6.2 doorbladeren
  3. Nieuwe stof: Holle en bolle lenzen, Sterkte berekenen
  4. Maakwerk
  5. Evaluatie

Slide 3 - Tekstslide

Hoe wordt straling in de praktijk gebruikt?

Slide 4 - Open vraag

Wat is het belangrijkste argument tegen kernenergie?

Slide 5 - Open vraag

Wat is het belangrijkste argument vóór kernenergie?

Slide 6 - Open vraag

demo lenzen
holle en bolle loep

Slide 7 - Tekstslide

Bolle lenzen
Een positieve lens is in het midden dikker dan aan de rand

Een bolle lens noem je ook wel een positieve lens.

Slide 8 - Tekstslide

een positieve lens
Een positieve (bolle) lens heeft een convergente werking.

De lichtstralen gaan naar elkaar toe.
Er ontstaat een brandpunt.

Slide 9 - Tekstslide

Holle lenzen
Een holle lens noem je ook wel een negatieve lens

Een negatieve lens is in het midden dunner dan aan de rand.

Slide 10 - Tekstslide

Holle lens
  • Divergente werking (lichtstralen worden van elkaar af gebogen).
  • "Virtueel brandpunt"
  • Negatieve lens

Slide 11 - Tekstslide

Dioptrie
  • We drukken de lenssterkte van brillen en lenzen uit in Dioptrie.
  • Het symbool van de grootheid is S en van de eenheid dpt.
  • We kunnen de dioptrie uitrekenen met de volgende formule:
  • S = 1/f (met f in meters)
  • Grootheid: Lenssterkte, S
  • Eenheid: Dioptrie, dpt

Slide 12 - Tekstslide

Aantekening 1 paragraaf 6.2
Tabel met bolle en holle lens (+/-, werking)

Tekenen lenzen hol en bol met lichtstralen

Slide 13 - Tekstslide

Aantekening 1 paragraaf 6.2
Het brandpunt (F) is het punt waar de lichtbundels samenkomen. De brandpuntafstand (f) is de afstand tussen de lens en F in meters. Hoe sterker de lens hoe groter de lichtbreking en dus hoe kleiner de f. De lenssterkte (S ) van de lens bepaal je met de formule: S = 1 / f 
De eenheid van S is dioptrie (dpt).


Slide 14 - Tekstslide

Oefenopdracht
f= 0,2 m
Bereken de lenssterkte met behulp van het stappenplan.

Slide 15 - Tekstslide

Huiswerk
lz 6.2
m. 1 uit 6.2 

Slide 16 - Tekstslide

Evalueren

Slide 17 - Tekstslide

Wat is een bolle lens?
A
een negatieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
B
een negatieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand
C
een positieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
D
een positieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand

Slide 18 - Quizvraag

Met een bolle lens maak je een
A
evenwijdige stralenbundel
B
divergerende stralenbundel
C
convergerende stralenbundel

Slide 19 - Quizvraag

Welke lens is een bolle lens?
A
A
B
B
C
C
D
E

Slide 20 - Quizvraag

Is dit een bolle of een holle lens?
A
Bolle
B
Holle

Slide 21 - Quizvraag

Een bolle lens heeft een brandpuntsafstand van 0,25 m. Bereken de lenssterkte in dpt.

Slide 22 - Open vraag

Les 2

Slide 23 - Tekstslide

Proef lenzenbreking

Slide 24 - Tekstslide

Les 3

Slide 25 - Tekstslide

Licht les 3
Doelen:
6.2.2 Je kunt de voorwerpsafstand en beeldafstand beschrijven.
6.2.3 Je kunt de beeldafstand van een lens bepalen door middel van een constructie met twee constructiestralen.
6.2.c. Je begrijpt bij welke toepassingen lenzen worden gebruikt.
6.2.d. Je begrijpt dat er een verband is tussen de voorwerpsafstand en de beeldafstand en de grootte van het voorwerp en het beeld.



 






Slide 26 - Tekstslide

Planning
  1. Wat weet je nog van de vorige les?
  2. Nieuwe stof 
  3. Maakwerk
  4. Evaluatie

Slide 27 - Tekstslide

Wat is een bolle lens?
A
een negatieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
B
een negatieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand
C
een positieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
D
een positieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand

Slide 28 - Quizvraag

Met een bolle lens maak je een
A
evenwijdige stralenbundel
B
divergerende stralenbundel
C
convergerende stralenbundel

Slide 29 - Quizvraag

Welke lens is een bolle lens?
A
A
B
B
C
C
D
E

Slide 30 - Quizvraag

Is dit een bolle of een holle lens?
A
Bolle
B
Holle

Slide 31 - Quizvraag

Een bolle lens heeft een brandpuntsafstand van 0,25 m. Bereken de lenssterkte in dpt.

Slide 32 - Open vraag


Welke werking heeft lens a en is deze positief of negatief ?
A
convergerende werking positieve lens
B
convergerende werking negatieve lens
C
divergerende werking positieve lens
D
divergerende werking negatieve lens

Slide 33 - Quizvraag


Welke werking heeft lens b en is deze positief of negatief ?
A
convergerende werking positieve lens
B
convergerende werking negatieve lens
C
divergerende werking positieve lens
D
divergerende werking negatieve lens

Slide 34 - Quizvraag


Welke werking heeft lens c en is deze positief of negatief ?
A
convergerende werking positieve lens
B
convergerende werking negatieve lens
C
divergerende werking positieve lens
D
divergerende werking negatieve lens

Slide 35 - Quizvraag

Afbeelden met licht
Afbeelden met licht
Met een positieve lens kan je achter de lens een beeld van een voorwerp voor de lens projecteren.

Slide 36 - Tekstslide

constructiestralen construeren
De lens veroorzaakt een beeld van het voorwerp. De constructiestralen geven aan waar dat beeld is (ten opzichte van de lens en het voorwerp).

Slide 37 - Tekstslide

Aantekening 2 paragraaf 6.2
Constructiestralen tekenen


Slide 38 - Tekstslide

Huiswerk
Oefenstencil en m.2 t/m 9 uit 6.2

Slide 39 - Tekstslide

Evalueren

Slide 40 - Tekstslide

Hoeveel constructiestralen zijn er?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 41 - Quizvraag

Welke lichtstraal is geen constructiestraal ?
A
De lichtstraal door het optisch midden
B
De lichtstraal door het brandpunt
C
De lichtstraal naar de bovenkant van de lens
D
De lichtstraal evenwijdig aan de hoofdas

Slide 42 - Quizvraag

Hoeveel constructiestralen moet je tekenen om de plek van het beeld te kunnen bepalen
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 43 - Quizvraag

In het figuur hiernaast zie je hoe een reëel beeld is gemaakt met een positieve lens.
Welke twee lichtstralen gebruik je als constructiestralen?

A
lichtstraal 1 en lichtstraal 3
B
lichtstraal 1 en lichtstraal 4
C
lichtstraal 2 en lichtstraal 3
D
lichtstraal 2 en lichtstraal 4

Slide 44 - Quizvraag

Les 4
herhalen 6.2 Licht

Slide 45 - Tekstslide

Licht les 4
Doelen:
Herhalen 6.2



 






Slide 46 - Tekstslide

Planning
  1. Wat weet je nog van 6.2?
  2. Vragen?
  3. Leren
  4. Evaluatie

Slide 47 - Tekstslide

Wat is een bolle lens?
A
een negatieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
B
een negatieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand
C
een positieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
D
een positieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand

Slide 48 - Quizvraag

Met een bolle lens maak je een
A
evenwijdige stralenbundel
B
divergerende stralenbundel
C
convergerende stralenbundel

Slide 49 - Quizvraag

Welke lens is een bolle lens?
A
A
B
B
C
C
D
E

Slide 50 - Quizvraag

Is dit een bolle of een holle lens?
A
Bolle
B
Holle

Slide 51 - Quizvraag

Een bolle lens heeft een brandpuntsafstand van 0,25 m. Bereken de lenssterkte in dpt.

Slide 52 - Open vraag


Welke werking heeft lens a en is deze positief of negatief ?
A
convergerende werking positieve lens
B
convergerende werking negatieve lens
C
divergerende werking positieve lens
D
divergerende werking negatieve lens

Slide 53 - Quizvraag


Welke werking heeft lens b en is deze positief of negatief ?
A
convergerende werking positieve lens
B
convergerende werking negatieve lens
C
divergerende werking positieve lens
D
divergerende werking negatieve lens

Slide 54 - Quizvraag


Welke werking heeft lens c en is deze positief of negatief ?
A
convergerende werking positieve lens
B
convergerende werking negatieve lens
C
divergerende werking positieve lens
D
divergerende werking negatieve lens

Slide 55 - Quizvraag

Hoeveel constructiestralen zijn er?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 56 - Quizvraag

Welke lichtstraal is geen constructiestraal ?
A
De lichtstraal door het optisch midden
B
De lichtstraal door het brandpunt
C
De lichtstraal naar de bovenkant van de lens
D
De lichtstraal evenwijdig aan de hoofdas

Slide 57 - Quizvraag

Hoeveel constructiestralen moet je tekenen om de plek van het beeld te kunnen bepalen
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 58 - Quizvraag

In het figuur hiernaast zie je hoe een reëel beeld is gemaakt met een positieve lens.
Welke twee lichtstralen gebruik je als constructiestralen?

A
lichtstraal 1 en lichtstraal 3
B
lichtstraal 1 en lichtstraal 4
C
lichtstraal 2 en lichtstraal 3
D
lichtstraal 2 en lichtstraal 4

Slide 59 - Quizvraag

Vragen?

Slide 60 - Tekstslide

Leren door te maken
m. Test jezelf 6.2 en Diagnostische toets Gele boekje

Slide 61 - Tekstslide