Examentraining mavo 4: leesvaardigheid

Examentraining - leesvaardigheid

Bespreken Tekst 1 t/m 4

Mavo 4
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 46 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Examentraining - leesvaardigheid

Bespreken Tekst 1 t/m 4

Mavo 4

Slide 1 - Tekstslide

Onderwerp van een tekst
  • Beschrijft in één woord of in enkele woorden waarover een tekst gaat.

Slide 2 - Tekstslide

Hoofdgedachte van de tekst
  • Wat zegt de schrijver over het onderwerp?
  • Bekijk de titel.
  • Lees de eerste alinea.
  • Lees de kernzinnen van de alinea's.
  • Lees het slot.

Slide 3 - Tekstslide

Let op!
  • Op je examen wordt er vaak gevraagd naar de hoofdgedachte van de tekst.
  • Lees de meerkeuzevragen goed. Sommige antwoorden gaan maar over een gedeelte van de tekst.

    Slide 4 - Tekstslide

    Schrijfdoelen
    Een schrijver van een tekst heeft altijd een bepaalde bedoeling met zijn tekst.

    Slide 5 - Tekstslide

    Schrijfdoelen
    • Informeren;
    • Instructie geven;
    • Overtuigen;
    • Activeren;
    • Amuseren (vermaken);
    • Gevoelens oproepen.

    Slide 6 - Tekstslide

    Tekstsoort
    Vaak kun je het doel van een tekst ontdekken door te herkennen wat voor tekstsoort het is.

    Bijvoorbeeld: nieuwsbericht, recept, recensie.

    Slide 7 - Tekstslide

    Tekstsoort en doelen
    Nieuwsbericht -> informeren
    Recept -> instructie geven
    Ingezonden brief -> overtuigen
    Reclametekst -> activeren
    Stripverhaal -> amuseren
    Gedicht -> gevoelens oproepen

    Slide 8 - Tekstslide

    Leesstrategieën
    1. Globaal;
    2. Intensief;
    3. Zoekend.

    Slide 9 - Tekstslide

    Leesstrategieën
    Globaal lezen:
    • Kijk naar de titel, tussenkopjes, plaatjes en de bron van de tekst.
    • Daarna lees je de inleiding, kernzinnen van alinea's en het slot.

    Slide 10 - Tekstslide

    Leesstrategieën
    Intensief lezen:
    • Je leest de hele tekst.
    • Je let op details.
    • Probeer te begrijpen wat er in de tekst staat.

    Slide 11 - Tekstslide

    Leesstrategieën
    Zoekend lezen:
    • Zoek naar trefwoorden.
    • Zoek gericht naar informatie in de tekst.

    Slide 12 - Tekstslide

    Functie van een afbeelding
    • Trekken van aandacht.
    • Voegt nieuwe informatie toe.
    • Nodig om de tekst beter te begrijpen.

    Slide 13 - Tekstslide

    Indeling van een tekst
    Titel
    Inleiding
    MIddenstuk - kern van de tekst
    Slot

    Slide 14 - Tekstslide

    Functies van de inleiding
    Inleiding
    • Onderwerp van de tekst introduceren.
    • Aandacht trekken

    Slide 15 - Tekstslide

    Functies van het slot
    Let op: hoofdgedachte van de tekst staat vaak in het slot.
    • Conclusie geven.
    • Samenvatting geven van de tekst.
    • Advies geven.
    • Waarschuwing geven.
    • Oproep doen.

    Slide 16 - Tekstslide

    Signaalwoorden
    • Het is handig om de signaalwoorden uit je hoofd te leren.
    • Je herkent dan de verbanden van de tekst.

    Slide 17 - Tekstslide

    Signaalwoorden

    Slide 18 - Tekstslide

    Verwijswoorden
    Verbanden tussen woorden en zinnen kunnen ook aangegeven worden met verwijswoorden.

    • Hij, ze, hem, haar, het, deze, die, dat, dit, wat.

    Slide 19 - Tekstslide

    Citeren
    - letterlijk overschrijven van een zin, zinsgedeelte of woordengroep.
    - "De minister ... niet herkozen." (r. 65-67)

    Lees goed in  de opdracht WAT je moet citeren.

    Slide 20 - Tekstslide

    Nakijken

    - Tekst 1

    Slide 21 - Tekstslide

    Antwoorden tekst 1

    Vr. 1: Hoe wordt het o.w. van de tekst in alinea 1 ingeleid?


    C: Door de directe aanleiding te noemen voor het schrijven van de tekst.

    Slide 22 - Tekstslide

    Vr. 2 'Het is duidelijk dat de ruimte dringend toe is aan een grote schoonmaakbeurt' (r. 22-24)
    Citeer uit alinea 5 t/m 7 een zin met dezelfde betekenis.

    "Dan moet ... heelal gaan."  (r. 66-68)

    Slide 23 - Tekstslide

    Vr. 3 Noem 2 verschillende soorten 'schoonmaakbeurt' die in alinea 8 genoemd worden. Max. 20 woorden.

    -De satelliet richting dampkring sturen (waarna hij verbrandt)
    -De satelliet naar een 'kerkhofbaan' sturen

    Slide 24 - Tekstslide

    Vr. 4 Welk kopje geeft het beste de inhoud weer van deel 2 (alinea 2 t/m 4)?

    A: Botsingen in de ruimte

    Slide 25 - Tekstslide

    Vr. 5 Welk kopje geeft het beste de inhoud weer van deel  3 (alinea 5 en 6)?

    C: Mogelijke oplossingen

    Slide 26 - Tekstslide

    Vr. 6 In welke alinea wordt hiervoor het duidelijkst een oplossing genoemd?

    Alinea 7

    Slide 27 - Tekstslide

    Vr. 7 Welk verband is er tussen alinea 2 en 3?


     A: Alinea 2 en 3 vormen samen een opsomming

    Slide 28 - Tekstslide

    Vr. 8 Hoe kun je de relatie tussen het tekstje 'Leven op Mars' en de tekst 'Verkeerschaos dreigt in het heelal' weergeven?
    Het tekstje 'Leven op Mars':
     
    C: toont aan, dat ruimteafval ook op andere terreinen risico's met zich meebrengt.

    Slide 29 - Tekstslide

    Vr. 9 Welke twee van deze vier doelen zijn bij de tekst 'Verkeerschaos dreigt in het heelal' de belangrijkste?

    2 + 3

    Slide 30 - Tekstslide

    Vr. 10 Waarvan maakt de schrijver in deze tekst gebruik?

    D: Van feiten, mening van anderen, eigen mening


    Slide 31 - Tekstslide

    Vr. 11 Welke zin geeft het beste de hoofdgedachte weer van de tekst 'Verkeerschaos dreigt in het heelal'?

    C: Ruimteafval maakt ruimteschoonmaak noodzakelijk vanwege dreigende botsingen.


    Slide 32 - Tekstslide

    Vr. 13 Waarvan is de afbeelding een voorbeeld?

    C van een mislukte vakantie

    Slide 33 - Tekstslide

    Vr. 14 Op wie  is  de advertentie gericht?

    B

    Slide 34 - Tekstslide

    Vr. 15 Wat  is het belangrijkste doel van deze advertentie?

    C

    Slide 35 - Tekstslide

    Vr. 16 Bij welke zin in de tekst sluit de afbeelding het beste aan?

    A: 'Want het gebeurt maar al te vaak dat geweldige reisplannen eindigen in  een kleine ramp.'

    Slide 36 - Tekstslide

    Vr. 17 Hoe wordt onderwerp ingeleid in alinea 1?

    D

    Slide 37 - Tekstslide

    Vr. 18 Wat is het verband tussen alinea 3 en 4?

    C

    Slide 38 - Tekstslide

    Vr. 19 Welke 2 redenen worden genoemd voor de grote rol van serious gaming in Nederland?
    1) Het overleg tussen de verschillende betrokkenen is in het Nederlands poldermodel erg belangrijk./ Wij vinden het in Nederland normaal op gelijkwaardige manier samen te beslissen
    2)  De Nederlandse overheid hecht veel waarde aan techniek, ICT / stelt subsidie beschikbaar.
    oplossen van problemen via de creatieve industrie (, zoals kunst,
    technologie en games). / Er wordt door de overheid veel subsidiegeld
    beschikbaar gesteld 

    Slide 39 - Tekstslide

    Vr. 20 Citeer de zin uit de alinea's 4 en 5 waar hetzelfde staat.

    'Het is ... echt zijn.'(r. 102-105

    Slide 40 - Tekstslide

    Vr. 21 Wat is het verschil tussen mening Van Mastrigt en Mayer?

    - Van Mastrigt beschouwt veel serious games niet als echte games./ vindt serious games saai.
    - Mayer vindt dat het wel om echte games gaat/ gebruikers worden er toch door in meegezogen.

    Slide 41 - Tekstslide

    Vr. 22 Welke overeenkomst is er tussen de meningen van Van Mastrigt en Mayer over de rol van serious games?

    B

    Slide 42 - Tekstslide

    Vr. 25 Wat is het belangrijkste doel van de schrijver met deze tekst?

    B

    Slide 43 - Tekstslide

    Vr. 23 Hoe kun je de inhoud van alinea 9 het beste weergeven?

    B

    Slide 44 - Tekstslide

    Vr. 24 Waarvan maakt de schrijver gebruik in dit artikel?

    D

    Slide 45 - Tekstslide

    Heel veel succes met voorbereiden voor het SE!

    Slide 46 - Tekstslide