In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 50 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Toets Nask1 H1 "Elektriciteit"
Slide 1 - Tekstslide
Op een lampje staat: 6 V/ 0,3A. Je wilt dit controleren. In figuur 1 zijn 4 schakelingen getekend die je zou kunnen maken. In welke schakeling zijn de meters juist aangesloten?
A
in schakeling A
B
in schakeling B
C
in schakeling C
D
in schakeling D
Slide 2 - Quizvraag
Welke kleur heeft een fasedraad?
A
Bruin
B
Groen/geel
C
Blauw
D
Zwart
Slide 3 - Quizvraag
Meter A1 in de afbeelding geeft 375 mA aan en meter A2 125 mA. Hoe groot is de stroomsterkte die meter A3 aangeeft?
A
125 mA
B
250 mA
C
375 mA
D
500 mA
Slide 4 - Quizvraag
Welke zin is onjuist?
A
Bij kortsluiting is de weerstand heel klein en daardoor de stroom heel groot.
B
Bij overbelasting staan er te veel apparaten tegelijk aan.
C
De zekering zorgt ervoor dat er geen kortsluiting ontstaat.
D
Elke groep heeft een groepsschakelaar waarmee je de spanning van de stopcontacten af kunt halen.
Slide 5 - Quizvraag
Wat wordt bedoeld met het vermogen van een apparaat?
A
Het aantal ampère per seconde.
B
Het aantal volt per seconde.
C
Het aantal watt per seconde.
D
Het energieverbruik per seconde.
Slide 6 - Quizvraag
Het symbool hiernaast betekent:
A
dubbele isolatie
B
een batterij
C
een lampje
D
een zekering
Slide 7 - Quizvraag
Martha heeft een computer (550 W), een bureaulamp (20 W) en een ventilator (75 W) via een verlengsnoer aangesloten op een stopcontact. Hoe groot wordt de stroomsterkte in het snoer als alle apparaten aanstaan?
A
0,4 A
B
2,4 A
C
2,5 A
D
2,8 A
Slide 8 - Quizvraag
In een schakeling zijn twee lampjes parallel geschakeld. Welke bewering over de spanning in deze schakeling is nietwaar?
A
De spanning is overal in de stroomkring gelijk.
B
De totale spanning vind je door de spanning door de twee lampjes bij elkaar op te tellen.
C
De totale spanning is gelijk aan de spanning door het laatste lampje.
D
De totale spanning is gelijk aan de spanning door het eerste lampje.
Slide 9 - Quizvraag
Reken om: a. 0,87 mA = … A b. 350 A = … mA
Slide 10 - Open vraag
Reken om: a. 76,9 kW = …W b. 835 W = … kW
Slide 11 - Open vraag
Hans schakelt drie fietslampjes in serie. Door elk lampje gaat een stroom van 0,25 A. Hans schrijft op: “De totale stroom door de schakeling is 0,75 A”. Leg uit of Hans gelijk heeft.
Slide 12 - Open vraag
In de afbeelding hiernaast zien we drie lampjes. Door elk lampje loopt 0,43 A. Bereken hoe groot de totale stroomsterkte is voor deze schakeling.
Slide 13 - Open vraag
Leg uit wat het verschil is tussen kortsluiting en overbelasting.
Slide 14 - Open vraag
Op een lampje staat 6,0 V / 0,05 A. Bereken het vermogen van dit lampje.
Slide 15 - Open vraag
Op een groep van een huisinstallatie (230 V) worden de volgende apparaten aangesloten: een strijkijzer van 1100 W; een wasdroger van 2300 W; en een tv van 120 W. Bereken de stroomsterkte van alle apparaten bij elkaar
Slide 16 - Open vraag
Het totale vermogen op een groep van een huisinstallatie (230 V) is 3790 W. De groep is beveiligd door een zekering van 16 A. Laat met een berekening zien of de zekering gaat smelten of niet.
Slide 17 - Open vraag
Bij Romy in huis wordt elektrisch gekookt. De vier kookplaten van het fornuis hebben niet allemaal hetzelfde vermogen. Twee platen hebben een vermogen van 2200 W, één plaat heeft een vermogen van 1300 W en de laatste een vermogen van 950 W. Er wordt voor 15 minuten gekookt op alle vier de kookplaten. Bereken hoeveel elektrische energie de kookplaten in deze 15 minuten hebben gebruikt.
Slide 18 - Open vraag
Op een vierpits elektrisch kookplaat wordt er voor 30 minuten gekookt op alle vier de kookplaten. Er is hiervoor 3325 Wh aan elektrische energie verbruikt. Bereken hoeveel er voor deze elektrische energie moet worden betaald. Neem als prijs € 0,25 per kWh.
Slide 19 - Open vraag
Ronald laat een lamp branden als hij op vakantie gaat. Alle andere elektrische apparaten zet hij uit. Als hij na vier weken weer thuiskomt, geeft de kWh-meter aan dat de lamp 26,88 kWh elektrische energie heeft gebruikt. Bereken het vermogen van de lamp.