Modalverben t.t.

Grammatik Kapitel 3
Modalverben
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Grammatik Kapitel 3
Modalverben

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Wat zijn Modalverben?

Modalverben = modale werkwoorden


Het zijn hulpwerkwoorden, die  een extra betekenis aan een zin geven.


Ze staan bijna nooit alleen in de zin, maar in combinatie met een ander  heel werkwoord


Slide 3 - Tekstslide

Voorbeelden

Modaal werkwoord = geel, heel werkwoord erbij = rood


  • Wij kunnen een ijsje kopen.
  • Jullie mogen in de zee zwemmen.
  • Zij zouden graag de menukaart willen zien.
  • Wij lusten pizza. 

Slide 4 - Tekstslide

Let op:
1. Klinkerverandering in het enkelvoud

2. ich  +  er/sie/es krijgen géén uitgang!

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Was bedeutet (betekent) das Verb
"können"?
A
toestemming hebben
B
kunnen
C
zou graag willen
D
lusten

Slide 7 - Quizvraag

(können)
Wir ... heute Abend nicht kommen.
A
können
B
könnt
C
kannst
D
kann

Slide 8 - Quizvraag

(können)
... du mir mal helfen?
A
können
B
könnt
C
kannst
D
kann

Slide 9 - Quizvraag

Was bedeutet das Verb
"mögen"?
A
toestemming hebben
B
kunnen
C
zou graag willen
D
lusten

Slide 10 - Quizvraag

(mögen)
Ich ... mein Lehrern sehr!
A
mögen
B
magst
C
möge
D
mag

Slide 11 - Quizvraag

(mögen)
Was ... ihr am liebsten machen?
A
möget
B
mögt
C
mögen
D
magt

Slide 12 - Quizvraag

Was bedeutet das Verb
"dürfen"?
A
toestemming hebben
B
kunnen
C
zou graag willen
D
lusten

Slide 13 - Quizvraag

(dürfen)
Jan ... nicht mit ins Kino gehen.
A
dürft
B
dürfen
C
darf
D
darfst

Slide 14 - Quizvraag

(dürfen)
... wir auch mitgehen?
A
dürft
B
dürfen
C
darf
D
darfst

Slide 15 - Quizvraag

Was bedeutet das Verb
"wollen"?
A
moeten
B
weten
C
kunnen
D
willen

Slide 16 - Quizvraag

(wollen)
... ihr jetzt gehen!?
A
wollt
B
willt
C
wollen
D
willst

Slide 17 - Quizvraag

(wollen)
Frau Maier, ... Sie uns helfen, bitte?
A
wollt
B
will
C
willen
D
wollen

Slide 18 - Quizvraag

Was bedeutet das Verb
"wissen"?
A
moeten
B
mogen
C
weten
D
zou graag willen

Slide 19 - Quizvraag

(wissen)
Mia ... alles über Insekten.
A
weißt
B
weiß
C
wisst
D
weißet

Slide 20 - Quizvraag

(wissen)
Wir ... noch nicht ob wir kommen.
A
wissen
B
weißen
C
wisst
D
weißet

Slide 21 - Quizvraag

Was bedeutet das Verb
"müssen"?
A
moeten
B
weten
C
kunnen
D
willen

Slide 22 - Quizvraag

(müssen)
Du ... unbedingt ins Krankenhaus!
A
müsst
B
musst
C
müss
D
muss

Slide 23 - Quizvraag

(müssen)
Ich ... morgens früher aufstehen!
A
musse
B
musst
C
müsse
D
muss

Slide 24 - Quizvraag

Was bedeutet das Verb
"sollen"?
A
weten
B
moeten
C
kunnen
D
willen

Slide 25 - Quizvraag

(sollen)
Es ... heute regnen.
A
sollt
B
sollen
C
soll
D
solle

Slide 26 - Quizvraag

(sollen)
Du ... nicht lügen, sagt deine Mutter!
A
sollt
B
solle
C
soll
D
sollst

Slide 27 - Quizvraag

müssen + sollen

Zoals je net hebt gezien, 
worden müssen en sollen   allebei als moeten vertaald. 

Maar wat is het verschil? 

Kijk nu nog eens goed naar de twee plaatjes... 

Slide 28 - Tekstslide

müssen (=moeten)
sollen  (=moeten)

Slide 29 - Tekstslide

VERSCHIL  müssen + sollen


müssen = moeten  => omdat het niet anders kan => noodzaak!
                      Ich muss jetzt gehen!

sollen      = moeten  => omdat iemand anders het wil 
                      Von deinem Vater sollst du jetzt gehen.

Slide 30 - Tekstslide

Was bedeutet das Verb
"möchten"?
A
graag willen
B
moeten
C
zullen
D
willen

Slide 31 - Quizvraag

(möchten)
Ich ... Sie jetzt gerne sprechen.
A
mochte
B
möchte
C
möchten
D
mochtet

Slide 32 - Quizvraag

(möchten)
... ihr etwas bestellen?

A
möchte
B
mochtet
C
möchten
D
möchtet

Slide 33 - Quizvraag