GEO h3 Mattijs en Jasper

Economische Geografie

Hoofdstuk 3


Behaviourale benadering van locatiekeuze

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieHBOStudiejaar 3

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 140 min

Onderdelen in deze les

Economische Geografie

Hoofdstuk 3


Behaviourale benadering van locatiekeuze

In hoofdstuk 2

Klassieke locatietheorieën 18-19 eeuw - kosten en ligging

Neoklassieke locatietheorieën 20 eeuw - breder dan alleen kosten en ligging



Kritiekpunt -- is de aanname dat economische actoren beschikken over volledige info en rationele besluiten (Homo economicus)

--> Dagelijks leven onmogelijk





Kort nog

Locatietheorie

(Neo)klassieke locatietheorie

  • Kernidee: Bedrijven kiezen hun locatie op een rationele en economische manier.

  • Homo economicus: Hierbij gaat men ervan uit dat ondernemers altijd rationeel zijn en alleen kijken naar kosten en baten (zoals transportkosten, arbeidskosten, grondprijzen).

  • Deductieve benadering: Je begint met een model of theorie (bijv. "bedrijven kiezen altijd de goedkoopste plek") en daarna kijk je of dit klopt in de echte wereld.

  • Voorbeeld: Een fabriek vestigt zich dichtbij grondstoffen of bij de klant om transportkosten te minimaliseren.

Test vraag
Wat is het belangrijkste verschil tussen de klassieke en de neoklassieke locatietheorieën?

A

Klassiek richt zich vooral op transport- en grondstofkosten, neoklassiek kijkt ook naar arbeid, kennis en beleid.

B

Klassiek benadrukt overheidsinvloed, neoklassiek negeert dit.

C

lassiek gaat uit van winstmaximalisatie, neoklassiek niet.

D

Ik heb niet naar Daan geluisterd

Behaviourale locatietheorie

Gedrag locatietheorie

Kernidee: Bedrijven kiezen hun locatie niet altijd alleen rationeel.


  1. Mensgericht: Een ondernemer kan een persoonlijke band hebben met een regio of familie in de buurt willen blijven.

  2. Inductieve benadering: Je kijkt eerst naar praktijkvoorbeelden van bedrijven (observaties) en probeert daaruit een algemene theorie te maken.
    - Voorbeeld: Een familiebedrijf blijft in het dorp waar ze vandaan komen, ook al zijn de kosten elders lager.

Simon en kritiek op Homo Economicus 1

De Homo Economicus = altijd rationeel zijn en de beste keuze maken.
Herbert Simon - onrealistisch.


1. Bounded Rationality (begrensde rationaliteit)

  • Mensen kunnen niet alle informatie hebben

  • Beslissingen worden gemaakt met beperkte tijd, kennis en rekenkracht.
    Gevolg: keuzes zijn maar in beperkte mate rationeel.


  1. Satisficing i.p.v. Optimizing
    Optimizers: zoeken naar de allerbeste keuze.
    Satisficers: nemen een keuze die “goed genoeg” is. Niet alles kunnen weten,
    Mensen zijn dus meer tevredenstellers dan optimumzoekers.

Simon en kritiek op Homo Economicus 2

3. Homo Psychologicus

  • Mensen handelen onder onzekerheid en met onvolledige informatie.

  • Er is altijd risico dat beslissingen verkeerd uitpakken.
    Dit vormt een fundamenteel probleem: hoe kan er toch vooruitgang zijn?

4. Docility (gezeglijkheid)

  • Mensen lossen dit op door te leren van anderen, adviezen op te volgen en zich aan te passen aan hun omgeving.
    Hierdoor kunnen economie en samenleving toch vooruitgaan, ondanks beperkte rationaliteit.

5. Kahneman – Prospect Theory

  • Mensen zijn verliesavers: verlies voelt zwaarder dan winst van dezelfde grootte.
    Voorbeeld: €100 verliezen voelt erger dan €100 winnen fijn voelt.

kort samengevat

  1. Homo Economicus: altijd rationeel en optimaal.

  2. Simon: mensen zijn beperkt rationeel → satisficers.

  3. Docility: leren van elkaar voorkomt chaos.

  4. Kahneman: emoties (verliesaversie) spelen grote rol in keuzes. Geen bezittingen verliezen die men al bezit.

Welke uitspraak past het beste bij de kritiek van Herbert Simon op het concept Homo Economicus?

A

Mensen hebben altijd volledige informatie en kiezen daarom de optimale oplossing.

B

Mensen zijn beperkt rationeel en nemen vaak beslissingen die "goed genoeg" zijn.

C

Mensen vermijden altijd risico’s door alle alternatieven grondig te onderzoeken.

D

Mensen handelen uitsluitend op basis van rationele kosten-batenanalyses.

Behaviorale matrix volgens Allan Pred

De behaviorale matrix probeert locatiekeuzes te begrijpen vanuit het menselijk perspectief, niet alleen economisch.


1. Belangrijke uitgangspunten

  • Mensen hebben niet alle informatie en zijn dus beperkt rationeel.

  • Ondernemers organiseren daarom voorzieningen om informatie en kennis te verzamelen, zodat ze betere beslissingen kunnen nemen.

Vb

  • Intern: bij beslissingen die vaak voorkomen binnen het bedrijf (routine).

  • Extern: bij grote keuzes zoals een locatie, via bv. een locatieadviesbureau of makelaar.

Let op: deze benadering is vooral toepasbaar bij grotere bedrijven, omdat die meer middelen hebben om informatie te verzamelen.

2. Soorten rationaliteit in de matrix


  1. Incrementele rationaliteit: doelen in volgorde plaatsen, stap voor stap keuzes maken.

  2. Procedurele rationaliteit: vuistregels ontwikkelen voor beslissingen, zodat keuzes makkelijker en sneller gemaakt kunnen worden.

  3. Expressieve rationaliteit: persoonlijke voorkeuren en waarden expliciet meenemen in de keuze.

Conclusie: De keuze voor een locatie hangt niet alleen af van economische kwaliteit, maar ook van persoonlijke eigenschappen van de beslisser en organisatieverantwoordelijkheid.

3. Dynamiek in de matrix

  1. Positie in de matrix verandert door leren van de omgeving, markt en andere bedrijven.

  2. Naarmate een bedrijf meer leert, kan het meer weloverwogen beslissingen nemen, wat visueel in de matrix vaak naar rechts onder wordt weergegeven.

Belangrijk om te weten


  • De matrix heeft vooral conceptuele waarde: het laat zien hoe mensen keuzes maken.

  • Bijna geen empirische toetsing, dus het is moeilijk om precies te meten of het altijd klopt.

  • Cognitieve dissonantie: beslissers kunnen tegenstrijdige keuzes maken door emoties, voorkeuren en informatieverschillen.

De behaviorale matrix volgens Allan Pred blz 67

Slide tekst

Bedrijfsverplaatsingen - Pellenbarg - niet te tevreden

1. Ontevredenheid met de locatie

  • Veel bedrijven zijn niet tevreden met hun vestigingsplaats.

    • Slechte bereikbaarheid.

    • Huur- of grondprijzen die te hoog worden.

    • Te weinig ruimte voor uitbreiding.

    • Klanten of werknemers die verder weg wonen.


2. Plaatsnut

  • Plaatsnut = de mate waarin een plek een bedrijf helpt om doelen te bereiken (bijvoorbeeld winst, bereikbaarheid, personeel vinden).

  • Zolang het plaatsnut hoog is, blijft een bedrijf meestal zitten.

  • Wanneer het plaatsnut daalt → wordt verplaatsing aantrekkelijker.

3. Besluitvorming en zoekproces

Bij een mogelijke verhuizing onderzoekt een bedrijf waarom en waarheen. Dit proces draait om drie soorten motieven:

  • Pushmotieven: negatieve factoren die wegduwen uit de huidige plek.

  • Pullmotieven: positieve factoren die aantrekken naar een nieuwe plek.

  • Keepmotieven: redenen om juist te blijven (bijv. trouwe klanten, lokaal netwerk, bekendheid van de plek).


Beoordeling van locatie

4. Waardering van locaties

Of een bedrijf een plek aantrekkelijk vindt, hangt niet alleen af van de “harde feiten” (zoals huurprijs of oppervlakte), maar ook van kennis en perceptie.


Beoordeling van locatie

4. Waardering van locaties

Of een bedrijf een plek aantrekkelijk vindt, hangt niet alleen af van de “harde feiten” (zoals huurprijs of oppervlakte), maar ook van kennis en perceptie.

Beoordeling van locatie

5. Ruimtelijke cognitie

  • Ruimtelijke cognitie = de kennis die iemand heeft van mogelijke vestigingsplaatsen.

  • Dit vormt de basis om een plek te waarderen: je kunt een plek immers pas goed beoordelen als je er iets over weet.

  • 6. Mental map

    • Een mental map = het beeld dat iemand in zijn hoofd heeft van een plaats of regio.

    • Dat beeld hoeft niet overeen te komen met de werkelijkheid:

      • Een regio kan objectief aantrekkelijk zijn, maar een ondernemer kan er een negatief beeld van hebben (bijv. “daar is altijd file”).

      • Omgekeerd kan een vertrouwde plek positiever beoordeeld worden dan objectief terecht is.

7. Regionaal imago

  • Dit is de subjectieve interpretatie van een objectieve werkelijkheid.

  • Bijvoorbeeld: een stad kan feitelijk goede voorzieningen hebben, maar een negatief imago (bijv. “vergrijzende regio” of “onveilig”), waardoor bedrijven minder geneigd zijn zich daar te vestigen.

8. Neighbourhood effect

  • Eigen omgeving wordt vaak het best gewaardeerd → omdat men daar de meeste en beste informatie over heeft.

  • Voor plaatsen verder weg heeft men minder kennis en vaak subjectievere (soms negatieve) beelden.

  • Daardoor blijven bedrijven vaak hangen in de eigen en vertrouwde regio, zelfs als een andere plek objectief beter zou zijn.

In het kort

  1. Ontevredenheid – Veel bedrijven zijn niet tevreden met hun huidige locatie.

  2. Plaatsnut – Hoe goed een plek bijdraagt aan bedrijfsdoelen; daalt dit, dan wordt verplaatsing aantrekkelijker.

  3. Pushmotieven – Redenen om te vertrekken (hoge huur, weinig ruimte)

  4. Pullmotieven – Redenen om een nieuwe plek aantrekkelijk te vinden (lagere kosten, betere infrastructuur, nabij klanten).

  5. Keepmotieven – Redenen om te blijven (vertrouwde klantenkring, lokale.

  6. Ruimtelijke cognitie – Kennis over mogelijke vestigingsplaatsen vormt de basis om keuzes te maken.

  7. Mental map & regionaal imago – Beelden en imago’s van regio’s zijn subjectief en beïnvloeden beslissingen.

  8. Neighbourhood effect – Eigen omgeving krijgt de hoogste waardering door betere kennis; verder weg vaak subjectiever beoordeeld.Slide tekst

Belangrijke locatiefactoren en de behaviourale benadering

1. Belangrijkste locatiefactoren

  • Het wordt steeds moeilijker om één meest bepalende locatiefactor aan te wijzen.

  • Door technologische vernieuwingen in transport en communicatie kunnen bedrijven uit steeds meer locaties kiezen.

  • Het draait dus niet meer alleen om financiële/economische overwegingen.


2. Spatial margins of profitability

  • Bedrijven hebben meer vestigingsopties binnen de grens waarbinnen winstgevend gewerkt kan worden.

  • Door betere transport en ICT wordt die “winstmarge in de ruimte” steeds groter.

3. Harde en zachte locatiefactoren

  • Harde locatiefactoren = meetbare, economische factoren
    (bijv. bereikbaarheid, huur- en grondprijzen, beschikbaarheid personeel).

  • Zachte locatiefactoren = subjectieve, sociale en persoonlijke factoren
    (bijv. woonomgeving, imago van de regio, persoonlijke ervaringen).

  • Beide spelen een rol: een bedrijf kiest dus niet alleen rationeel.


4. Kritiek op de behaviourale benadering

  • Te weinig oog voor context: men kijkt vooral naar beslissingen vanuit het bedrijf zelf (intern).

  • Houdt weinig rekening met externe invloeden zoals:

    • Overheidsbeleid (subsidies, ruimtelijke ordening).

    • Machtsverhoudingen (grote ketens, internationale concurrentie).

  • Voor een goed begrip van bedrijfsverplaatsing moet je ook kijken naar het strategisch management van de organisatie (langetermijnstrategie, marktpositie, beleid).


Kortom: locatiekeuze is steeds complexer geworden: niet alleen harde cijfers, maar ook zachte factoren, persoonlijke voorkeuren en de bredere context (beleid en macht) spelen een belangrijke rol.