1.4 Organellen deel 2
Je kunt beschrijven hoe transport van stoffen via celmembranen plaatsvindt.
Je kunt de bouw en functie van het cytoskelet en celmembraan beschrijven.
1.4 Organellen deel 2
Je kunt beschrijven hoe transport van stoffen via celmembranen plaatsvindt.
Je kunt de bouw en functie van het cytoskelet en celmembraan beschrijven.
Cytoskelet
In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> cytoskelet
Functies:
Stevigheid en vorm
Microfilamenten (zeer dunne eiwitdraden) en microtubuli (eiwitbuisjes) vormen een netwerk door de cel.
Dit netwerk geeft de cel stevigheid en helpt de cel zijn vorm te behouden.
In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> cytoskelet
Functies:
Beweging
Microtubuli vormen de basis van ciliën (trilharen) en flagellen. Door beweging van deze structuren kan een cel of vloeistof langs een cel bewegen.
Bijvoorbeeld: een zaadcel gebruikt een flagel om zich voort te bewegen.
Cytoskelet
In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> Cytoskelet
Functies:
Transportsysteem
Microtubuli en microfilamenten vormen een netwerk.
Motoreiwitten binden aan deze structuren en vervoeren bijvoorbeeld transportblaasjes en organellen.
Bijvoorbeeld: transport van blaasjes van het ER naar het Golgisysteem.
Cytoskelet
In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> cytoskelet
Functies:
Vormverandering
Het cytoskelet wordt voortdurend opgebouwd en afgebroken → hierdoor kan de cel van vorm veranderen.
Belangrijk bij het vormen en afsnoeren van transportblaasjes.
Cytoskelet
Transportblaasjes
Wat zit er in bellenblaas?
Waar bestaat een zeepbel uit?
Niet alle stoffen lossen op in water.
Hydrofobe stoffen: slecht mengbaar met water.
Hydrofiele stoffen: goed mengbaar met water.
Interactie tussen stoffen en water
Interactie tussen stoffen en water
Water is polair en kan daardoor goed interacties aangaan met andere polaire of geladen stoffen → deze mengen vaak goed met water (hydrofiel).
Apolaire stoffen kunnen weinig interacties aangaan met water → deze mengen meestal slecht met water (hydrofoob).
Vergelijkbare moleculen die voorkomen in je cellen zijn fosfolipides.
Fosfolipiden hebben een hydrofiele (polaire) kop en hydrofobe (apolaire) staarten.
De binnen- en buitenkant van cellen en celorganellen is waterig.
Hoe zullen fosfolipiden zich in deze waterige omgeving rangschikken?
Binas 79D
Het celmembraan, het ER, het Golgisysteem en transportblaasjes worden omgeven door een dubbele laag fosfolipiden.
Waarom is de bouw van het celmembraan zo belangrijk voor de functie van de cel?
Blaasjes en membranen
De structuur van het celmembraan vormt een barrière voor veel stoffen die de cel in of uit willen, voornamelijk polaire stoffen zoals water kunnen niet makkelijk door membraan heen.
Hierdoor kan de cel regelen welke stoffen de cel in- en uitgaan. Kleine apolaire moleculen zoals gassen kunnen wel het membraan over.
Grote stoffen, zoals eiwitten, kunnen bijvoorbeeld via transportblaasjes de cel worden uitgetransporteerd.
Transport over het membraan
Transport over het membraan (Binas 79D)
Membraaneiwitten: veel van deze eiwitten spelen een rol bij transport in en uit de cel.
-> Bijvoorbeeld aquaporines (water)
Receptoreiwitten: eiwitten met daaraan koolhydraatketens. Spelen een rol bij celherkenning. Hierdoor kan het afweersysteem lichaamseigen cellen onderscheiden van lichaamsvreemde cellen.
Afmaken opdrachten 1.4 -> 62 + 63 + 65 + 69 + 74
Mogelijke antwoorden:
Fosfolipiden/ eiwitten/ cholesterol/ cellulose
Hydrofoob of hydrofiel, hydrofoob of hydrofiel
Actief of passief transport
A of B
Hoge naar lage concentratie of lage naar hoge concentratie
Mogelijke antwoorden:
Actief of passief transport
A of B
Hoge naar lage concentratie of lage naar hoge concentratie
Door de laag phospholipiden of via transporteiwitten
Ionen/gassen/water/suikers
Mogelijke antwoorden:
Door de laag phospholipiden of via transporteiwitten
wel of geen
Actief transport/gefaciliteerde diffusie/osmose/ diffussie
ionen/vetten/gassen
Actief transport/gefaciliteerde diffusie/osmose/ diffussie