H3 Elektriciteit - Elektriciteit en lading

H3 Elektriciteit - 3.1 Elektriciteit en lading
Benodigheden
-Boek
- schrift
-pen
LessonUp: 
Nee
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

H3 Elektriciteit - 3.1 Elektriciteit en lading
Benodigheden
-Boek
- schrift
-pen
LessonUp: 
Nee

Slide 1 - Tekstslide

Elektriciteit

Slide 2 - Woordweb

Leerdoelen
2
Ik kan uitleggen hoe een atoom in elkaar zit en uitleggen wanneer deze neutraal is en wanneer geladen. 
L3
1
Ik kan uitleggen hoe elektrische verschijnselen ontstaan. 
L3
3
ik weet wat stroom is en waarin dit wordt gemeten. 
L3
4
Ik weet wat spanning is waarin dit wordt gemeten.
L3
"ga jij ze beheersen?"
5
ik weet hoe stroom wordt veroorzaakt door spanning 
L3

Slide 3 - Tekstslide

verklaar dit?

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Elektrische verschijnselen
Elektrische verschijnselen zijn verschijnselen die te maken hebben met een verschil in lading. 

Elektrische verschijnselen ontstaan doordat ladingen kracht op elkaar uitoefenen. 

Er zijn twee soorten ladingen positief en negatief 

  •  positieve lading en negatieve lading trekken elkaar aan. 
  •  positieve en positieve lading stoten elkaar af
  • negatieve en negatieve lading stoten elkaar af

Slide 6 - Tekstslide

Atoom
Een atoom bestaat uit: 

  • kern met protonen (positief geladen) en neutronen (geen lading)
  • elektronen (negatief geladen)bewegen om de kern heen
  • elk atoom bevat evenveel protonen als neutronen en is dus elektrisch neutraal
  •  in een stof kan lading bij komen of weggaan een stof is dan geladen
  • Bij elektrische verschijnselen zijn het vaak  de elektronen die bewegen. 


Slide 7 - Tekstslide

Stroom
  • Stroom is bewegende lading
  • Stroom kan door metalen draden heenlopen. 
  • Stoffen waar stroom door heen kan lopen noem je geleiders
  •  Stroom kan alleen lopen in een gesloten stroomkring. 
  •  Met stroomsterkte I geef je aan hoeveel stroom er per seconde door een punt of draad stroomt. 
  • Stroomsterkte meet je in Ampere (A). 
  • Soms heb je en kleine stroomsterkte dan meet je dit in milli-ampère (mA)
  • 1 A = 1000 mA. 





Slide 8 - Tekstslide

spanning
Voor stroom zijn twee voorwaarden nodig:

1. gesloten stroomkring
2. spanningsbron

  • een spanningsbron pompt de lading rondt en geeft energie aan de lading mee. 

  • De spanning (U) geeft aan hoeveel energie de lading meekrijgt. 

  • Spanning meet je in Volt (V) 

Slide 9 - Tekstslide

  • spanningsbron geeft energie aan elektronen. 
  • elektronen bewegen van - naar de + 
  • in een vernauwing geven de elektronen energie af en ontstaat er warmte en licht.
  • Terug in de batterij worden de elektronen weer opgeladen 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Aan de slag
  • Level spel tot level 7
  • Maak 3.1 af
  • Voorbereiden 3.2 

Slide 12 - Tekstslide

Huiswerk
Eerst volgende les: 
3.1 af en 3.2 voorbereiden

Slide 13 - Tekstslide