AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Examentraining
Afweer: zo pak je examenvragen aan
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Examentraining
Afweer: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: NIAID / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over afweer, immuniteit en bloedgroepen beantwoorden met de juiste vaktaal.
Deze slide heeft geen instructies
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven (situatie, schema, tabel of grafiek) en wat moet je doen?
2. Zoek: welke afweercel, welk antigeen of welke antistof speelt de hoofdrol?
3. Verbind: leg het verband met een omdat: de cel herkent het antigeen, dus ...
4. Schrijf: een kort antwoord met de juiste begrippen.
Deze slide heeft geen instructies
De stappen van de verworven afweer (schema)
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Vraagtype 1: welke cel of stof doet wat?
Volg het schema: macrofaag, T-helpercel, B-cel of cytotoxische T-cel, plasmacel.
Antistoffen worden gemaakt door plasmacellen, geïnfecteerde cellen worden gedood door cytotoxische T-cellen.
Een receptor of antistof past op één antigeen.
Schrijf een verband: omdat de vorm past, bindt de antistof alleen aan dat antigeen.
Image credit: Eigen schema voor deze les
Een patiënt heeft een virusinfectie. Welke cel doodt de geïnfecteerde lichaamscellen?
Plasmacel
B-cel
Macrofaag
Cytotoxische T-cel
De cytotoxische T-cel doodt geïnfecteerde cellen. Verwachte fout: de plasmacel kiezen omdat die een rol in de afweer heeft; die maakt alleen antistoffen.
Waarom bindt een antistof maar één antigeen?
Een goed antwoord: de antistof heeft een vorm die alleen op dat ene antigeen past, zoals een sleutel in een slot. Verwachte fout: zeggen dat antistoffen alles aanvallen.
Antistoffen in het bloed na twee vaccinaties (eigen gegevens)
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Vraagtype 2: een grafiek over afweer lezen
Kijk eerst naar de assen: welke grootheid staat waar en in welke eenheid?
Zoek de momenten van de vaccinaties en lees af wanneer de lijn stijgt en wat de top is.
Vergelijk pieken met een deling of een aantal dagen verschil.
Verklaar het verschil met de begrippen uit de les.
Image credit: Eigen schema voor deze les
Hoeveel keer zo hoog is de piek na de tweede vaccinatie als na de eerste?
2 keer zo hoog
6 keer zo hoog
8 keer zo hoog
4 keer zo hoog
Eerste piek 20 eenheden, tweede piek 80 eenheden: 80 : 20 = 4. Verwachte fout: het verschil (60) met de verhouding verwarren. Image credit: Eigen schema voor deze les
Hoeveel dagen na de tweede vaccinatie is de piek?
35 dagen
7 dagen
28 dagen
14 dagen
Tweede vaccinatie op dag 28, piek op dag 35: 7 dagen. Verwachte fout: 35 dagen noemen (de dag in plaats van het verschil). Image credit: Eigen schema voor deze les
Een zak met donorbloed tijdens een bloedtransfusie
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Vraagtype 3: bloedgroepen en transfusie
Rode bloedcellen hebben antigeen A, B, A en B, of geen.
In het plasma zitten antistoffen tegen de antigenen die je zelf niet hebt.
Een antistof reageert met het bijbehorende antigeen: de rode bloedcellen klonteren samen.
Redeneer altijd vanuit de acceptor: welke antistoffen heeft die?
Image credit: Wikimedia Commons, CC0
Welke antistoffen heeft iemand met bloedgroep B?
Antwoord: anti-A. Bloedgroep B heeft antigeen B en maakt antistoffen tegen het antigeen dat ontbreekt. Verwachte fout: anti-B noemen.
Ahmed heeft bloedgroep O en krijgt per ongeluk bloed van groep A. Wat gebeurt er?
Anti-B in zijn plasma klontert het donorbloed samen
Er gebeurt niets, want hij heeft geen antigenen
Anti-A in zijn plasma klontert het donorbloed samen
Anti-A van het donorbloed klontert zijn rode cellen samen
Bloedgroep O heeft anti-A en anti-B in het plasma; de rode cellen van de donor hebben antigeen A. Verwachte fout: denken dat bloedgroep O niets heeft en dus niet reageert.
Een kind krijgt een vaccin
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Vraagtype 4: immuniteit en antibiotica
Bepaal eerst: maakt de persoon zelf antistoffen (actief) of krijgt die ze van buiten (passief)?
Bepaal dan: gebeurt het vanzelf (natuurlijk) of via een medische handeling (kunstmatig)?
Antibiotica werken tegen bacteriën, niet tegen virussen.
Bij een argument noem je een gevolg en leg je uit waarom.
Image credit: David Mark / Wikimedia Commons, CC0
Een kind krijgt een vaccin tegen HPV, een virus. Welke immuniteit levert dit op?
Kunstmatige actieve immuniteit
Natuurlijke actieve immuniteit
Kunstmatige passieve immuniteit
Natuurlijke passieve immuniteit
Het kind maakt zelf antistoffen en geheugencellen (actief) na een medische handeling (kunstmatig). Verwachte fout: passief kiezen omdat een vaccin wordt toegediend.
Waarom werkt een antibioticum niet tegen griep?
Griep wordt veroorzaakt door een virus; antibiotica werken alleen tegen bacteriën. Verwachte fout: zeggen dat het virus resistent is geworden.
Welk vraagtype vind je het lastigst?
Welke cel of stof doet wat
Een grafiek lezen
Bloedgroepen en transfusie
Immuniteit en antibiotica
Oefen het lastigste vraagtype nog eens met de uitleg uit les 1.
AFWEER · ZIEKTEVERWEKKERS
Tips voor op het examen
Antigenen zitten op de ziekteverwekker of de rode bloedcel, antistoffen maakt het lichaam.
Actief betekent dat je zelf antistoffen en geheugencellen maakt; passief werkt direct maar kort.
Bij een grafiek: noem de waarde met eenheid en gebruik de dagen van de x-as.
Deze slide heeft geen instructies