Hv1b

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¡Bienvenidos a la clase de español!

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

We starten in 5 minuten met de les.
We starten in 5 minuten met de les.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Registro de asistencia

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Calentamiento.
Nos presentamos.

We gaan elkaar voorstellen. 
Me llamo Betty.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Objetivos de la clase.
1. Verbos pronominales vestirse, lavarse,levantarse.
2. Conectores temporales; primero, luego, después.
3.Vocabulario sobre días de la semana
4.Hablar sobre mi rutina diaria.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programa de la clase.
1. Repaso los verbos pronominales.
2. Aprenderemos sobre conectores temporales.
3.Vocabulario días de la semana.
4.Tarea final 1 hablar sobre mi rutina diaria.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Activar conocimientos.

Slide 8 - Tekstslide

We gaan de video bekijken en daarna vragen: Waar gaat het over? en Wat is ze aan het doen?
¿Que haces tú en la mañana?
Wat doet jij in de ochtend?

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verbos reflexivos
Vestirse (e-i): zich aankleden
Reflexieve werkwoorden zijn werkwoorden waarbij het onderwerp van de zin ook het object is. Deze constructie komt veel voor in het Spaans en wordt gebruikt om acties uit te drukken die iemand op zichzelf uitvoert. Een voorbeeld hiervan is “ik was me” of “hij kleedt zich aan”.
Met reflexieve werkwoorden wordt de handeling dus verricht door de persoon die ook de ontvanger is van de handeling. Hierdoor ontstaat een reflexieve relatie tussen het onderwerp en het object van de zin.
Lavarse: zich wassen
Naar bed gaan
Douchen
wakker worden

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De voorm
Ejemplo:
(voorbel)
lavarse-zich wassen
(Yo) me lavo
(el) ella se lava


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conjugación de ir, pedir y merendar.
Ir/gaan
yo voy
tú vas
el/ella/usted va
nosotros vamos
vosotros vais
ellos/ustedes
Pedir/vragen
yo pido
tú pides
el/ella/usted pide
nosotros pedimos
vosotros pedís
ellos/ustedes piden
vestirse/zich aankleden
me visto
te vistes
se viste
nos vestimos
os vestís 
se visten
Werkwoorden met klinkerwisseling
E-I

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Por la mañana 
Por la tarde
Por la noche
-Ir al cole
(ga naar school)
-preparar la mochila 
(mijn tas maken)
-desayunar
(ontbijten)
-pasear al perro
Merendar
(tussendoortje eten s´middags)

merendar:(E-IE)
Yo meriendo
tu meriendas
el/ella merienda
Acostarse: (o-ue)
Yo me acuesto
tú te acuestas
él/ella se acuesta
s' middags
s' ochtends
s' avonds

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mira la rutina de David.
Primero se levanta.
Después se ducha.
Luego se viste.
Y va al colegio

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  1. Yo __________ a las seis de la mañana. (levantarse)
  2. María __________ antes de ir al trabajo. (ducharse)
  3. Nosotros __________ las manos antes de comer. (lavarse)
  4. Tú __________ muy rápido para ir al colegio. (vestirse)
  5. Ellos __________ tarde los fines de semana. (acostarse)
  6. Pedro y yo __________ después de hacer deporte. (ducharse)
  7. Jim __________ la cara todas las mañanas. (lavarse)
Vamos a practicar. Completa con el verbo en la forma correcta.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Yo (ir) ........ al cole
A
vamos
B
voy
C
va
D
vas

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lucía (vestirse).............. de rojo.
A
te vistes
B
me visto
C
se viste
D
nos vestimos

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mis hermanos (levantarse)......................... temprano.
A
te levantas
B
os levantáis
C
se levantan
D
me levanto

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ana (chatear)......... con sus amigos.
A
chateo
B
chateas
C
chateamos
D
chatea

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

¿Qué haces después del colegio?
Wat doe jij na school?

Slide 20 - Woordweb

Elke student schrijf een woord.
Primero
luego
después

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

¿Cómo es tú día?
Tarea 1 Escribe tu rutina diaria.
Over je dag.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies