2.3 + 2.4 koolstofkringloop en populaties

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Planning

- Huiswerk bespreken opdr. 18 t/m 21 (start op blz. 91)
- Herhaling 2.1/2.2/2.3
- Uitleg 2.4
- Huiswerk

Slide 2 - Tekstslide

Iedere voedselketen begint met een plant, een producent.
Daarna komen de consumenten, dus planteneters en daarna vleeseters.
Als laatste een roofdier die weinig of geen vijanden heeft.
Alleseters kunnen overal staan, want die eten planten en dieren.

Slide 3 - Tekstslide

Een pijl staat voor: Wordt gegeten door
Dus de pijl gaat altijd van prooi naar roofdier!!


Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Waarmee begint iedere voedselketen?
A
Producent
B
Consument

Slide 6 - Quizvraag

Op welk plaatje zie je een voedselweb?
A
B
C

Slide 7 - Quizvraag

Slide 8 - Tekstslide

Welke piramide is altijd piramidevormig?
A
Piramide van biomassa
B
Piramide van aantallen

Slide 9 - Quizvraag

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

koolstofkringloop
fotosynthese

Slide 12 - Tekstslide

koolstofkringloop

Slide 13 - Tekstslide

koolstofkringloop

Slide 14 - Tekstslide

koolstofkringloop

Slide 15 - Tekstslide

koolstofkringloop
1
2
2
2
3
3
4
5
6
7
8

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Biotische & abiotische factoren
levende factoren
levenloze factoren

Slide 18 - Tekstslide

Biotische factoren
(levende natuur)
  • voedsel
  • ziekteverwekkers
  • vijanden
  • bescherming tegen vijanden ( bomen,struiken)

Slide 19 - Tekstslide

Abiotsiche factoren
(levenloze natuur)
  • licht
  • wind
  • neerslag
  • temperatuur
  • lucht
  • bodem

Slide 20 - Tekstslide

Organisatieniveaus 

  • Individu 
  • Populatie
  • Levensgemeenschap
  • Ecosysteem 
(van klein naar groot)

Slide 21 - Tekstslide

Organisatieniveaus 

  • Individu = Een enkel organisme.
  • Populatie = Een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied (die zich onderling kunnen voortplanten).
  • Levensgemeenschap = Alle populaties in een bepaald leefgebied. 
  • Ecosysteem = De biotoop en de levensgemeenschap. 
(van klein naar groot)

Slide 22 - Tekstslide

Populatiegrootte
  • Als de omstandigheden gunstig zijn dan wordt de populatie groter.
    Bijvoorbeeld als er veel voedsel is en er weinig vijanden zijn.

  • Er gaan veel dieren dood als de omstandigheden ongunstig zijn. De populatie wordt dan kleiner.
    Bijvoorbeeld als er weinig voedsel is en er ziektes heersen.

Slide 23 - Tekstslide

Populatiegrootte
  • Wanneer een populatie (door de jaren heen) om een evenwichtswaarde schommelt dan noemen we dat een biologisch evenwicht.

  • De populatiegrootte is afhankelijk van biotische en abiotische factoren.
  • Optimale omstandigheden: alle biotische en abiotische factoren hebben de meest gunstige waarde

Slide 24 - Tekstslide

Optimumkromme
  • Optimumkromme is een diagram dat voor één bepaalde abiotische factor angeeft wat de groei- en voortplantingskansen van een populatie zijn. 
  • Het gebied tussen het minimum en het maximum noem je het tolerantiegebied. 

Slide 25 - Tekstslide

Wat zijn de vier organisatieniveaus van klein naar groot?
A
Individu, populatie, levensgemeenschap, ecosystemen
B
Populatie, individu, ecosysteem, levensgemeenschap

Slide 26 - Quizvraag

Over welk onderwerp zou jij meer uitleg willen?

Slide 27 - Open vraag

Huiswerk
Voor volgende week maandag

2.4: Opdr. 24 t/m 31

Slide 28 - Tekstslide