Helpende plus deel 2 toets

Helpende plus deel 2 toets
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 15 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Helpende plus deel 2 toets

Slide 1 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen een merknaam en generieke naam van een medicijn?

Slide 2 - Open vraag

De 5 J's: waar staan ze voor?

Slide 3 - Open vraag

Als medicatie enteraal wordt toegediend wat bedoelen we dan?
A
Via Maag/darmkanaal
B
via de huid
C
Middels een injectie

Slide 4 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen enterale en parenterale medicatie

Slide 5 - Open vraag

Waar staan LOT en MFD voor op de verpakking?
A
Productielocatie en prijs
B
Batchnummer en houdbaarheidsdatum
C
Werkzaamheid en kleur

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent EXP, Exp. of EXP.dat. op een medicijnverpakking?
A
Naam producent
B
Gewicht van het medicijn
C
Expiratiedatum of houdbaar tot

Slide 7 - Quizvraag

Wat is het doel om medicijnen te geven? Benoem er 2

Slide 8 - Open vraag

Wat zijn analgetica?

Slide 9 - Open vraag

Wat is de werking van anticoagulantia?
A
Maagzuurremmer
B
Bloed verdunnen
C
Pijnstillend
D
Maagbeschermer

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste doel van steunkousen?
A
Het warm houden van de benen
B
Het genezen van wonden
C
Het verbeteren van de bloedsomloop
D
Het verminderen van pijn in de spieren

Slide 11 - Quizvraag

Via welke lichaamsvloeistoffen kunnen resten van cytostatica het lichaam verlaten?

A
Alleen via bloed
B
Alleen via speeksel
C
Via urine, ontlasting, braaksel en zweet
D
Alleen via urine

Slide 12 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting CVA?
A
Chronische vaat aandoening
B
Cerebro Vasculair Accident
C
Centrale veneuze aandoening
D
Cardio vasculaire afwijking

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen een TIA en een CVA?
A
Bij een TIA zijn de klachten altijd ernstiger dan bij een CVA
B
Een TIA verdwijnt spontaan binnen korte tijd, bij een CVA blijven de klachten meestal bestaan
C
Een CVA duurt maar enkele minuten, een TIA meerdere dagen
D
Een TIA komt alleen bij jonge mensen voor

Slide 14 - Quizvraag

Wat kunnen restverschijnselen zijn na een CVA?

Slide 15 - Open vraag

Wat is reuma?

Slide 16 - Open vraag

Wat is een hypo?
A
Een te hoge bloedsuiker
B
Een te lage bloedsuiker
C
Een normale bloedsuiker
D
Een infectie

Slide 17 - Quizvraag

Wat moet je doen als iemand een hypo heeft?

Slide 18 - Open vraag

Wat doe je als een cliënt met een hypo bewusteloos raakt?
A
Eten of drinken geven
B
Cliënt laten slapen
C
Niets doen
D
Direct medische hulp inschakelen

Slide 19 - Quizvraag

Wat is COPD?

Slide 20 - Open vraag