14.3 en 14.4 Waarnemen 5 VWO

14.3 en 14.4 Waarnemen
Het gezichtszintuig
Netvlies en receptieve ve
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

14.3 en 14.4 Waarnemen
Het gezichtszintuig
Netvlies en receptieve ve

Slide 1 - Tekstslide

14.3 Het gezichtszintuig
We behandelen, a.d.h.v. Bioplek-animatie:
- Opbouw van het oog (stoppen bij pupilreflex)
- Pupilreflex
- Accomodatie

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Link

Pupilreflex
Reflex om netvlies te beschermen

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Link

Accomodatie / Oogafwijkingen
'Scherpstellen'
en
Oogafwijkingen corrigeren met + of - bril

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Link

Wat zijn de functies van het harde oogvlies, vaatvlies en netvlies?
(goede volgorde kiezen)
A
Bescherming, waarneming en stevigheid.
B
Bescherming, waarneming en voeding
C
Bescherming, stevigheid en waarneming.
D
Bescherming, voeding en waarneming.

Slide 8 - Quizvraag

Sleep de juiste onderdelen naar het juiste nummer.
9
3
12
Gele vlek
Hoornvlies
Oogspier

Slide 9 - Sleepvraag

Je focust op een bal die naar je toe gegooid wordt. Wat doen de spieren in het straalvormig lichaam?
A
Die ontspannen
B
Die trekken samen
C
Die doen niets
D
Die trekken de lens bol

Slide 10 - Quizvraag

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Link

Slide 14 - Tekstslide

Zet de juiste kenmerken bij de juiste receptorcel.
Staafjes
Kegeltjes
Om de gele vlek
In de gele vlek
Hoge prikkeldrempel
Lage prikkeldrempel
Scherp zicht, kleur
Contrast, grijstinten

Slide 15 - Sleepvraag

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Licht dat op staafjes valt, leidt tot:
A
depolarisatie en minder afgifte van neurotransmitter
B
hyperpolarisatie en minder afgifte van neurotransmitter
C
depolarisatie en meer afgifte van neurotransmitter
D
hyperpolarisatie en minder afgifte van neurotransmitter

Slide 18 - Quizvraag

Kegeltjes...
A
hebben een hogere drempelwaarde dan staafjes
B
hebben een lagere drempelwaarde dan staafjes

Slide 19 - Quizvraag

Staafjes...
A
zitten niet in de gele vlek, wel in de blinde
B
zitten niet in de gele vlek en niet in de blinde
C
zitten in de gele vlek en niet in de blinde
D
zitten in de gele vlek en in de blinde

Slide 20 - Quizvraag

Waar zijn de receptieve velden het kleinst?
A
In de blinde vlek
B
In de gele vlek
C
Net naast de gele vlek
D
Net naast de blinde vlek

Slide 21 - Quizvraag