Mittwoch, den 28. Oktober

starter
Schrijf de persoonlijke voornaamwoorden op die je nog weet
en schrijf zoveel mogelijk regels op die je nog weet die bij 
der/die of das horen.
timer
5:00
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 110 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

starter
Schrijf de persoonlijke voornaamwoorden op die je nog weet
en schrijf zoveel mogelijk regels op die je nog weet die bij 
der/die of das horen.
timer
5:00

Slide 1 - Tekstslide

An die Arbeit!
slim stampen A  + B1 +2 oefenen online
Leren C blz 91 DN 
maken luistertoets in woots


Slide 2 - Tekstslide

Ziel heute
Vandaag gaan we eerst herhalen en dan verder werken met de persoonlijke vnw
Wat zijn de Duitse Vraagwoorden
En gaan we luistern en kijken naar een LOGO aflevering

Slide 3 - Tekstslide

  • Mannelijke woorden:
  • alle mannelijke mensen en dieren: der Lehrer/ der Stier
  • alle dagen van de week: der Montag
  • alle seizoenen: der Sommer
  • alle maanden: der Oktober
der Kater
uitleg

Slide 4 - Tekstslide

Vrouwelijke woorden:
  • alle vrouwelijke mensen en dieren: die Oma
  • de meeste woorden op -e: die Adresse
  • alle woorden op -ung: die Zeitung
  • alle woorden op -schaft: die Freundschaft
  • alle woorden op -heit: die Freiheit
  • alle woorden op -keit: die Fröhlichkeit 
die Katze
uitleg

Slide 5 - Tekstslide

Onzijdige woorden + verkleinwoordjes:
  • alle woorden op -chen: das Kaninchen
  • alle woorden op -lein: das Büchlein
  • de meeste het-woorden: das Dorf 
das Buch
uitleg

Slide 6 - Tekstslide

Persoonlijke voornaamwoorden 1e naamval =ond.  
Als je de dikgedrukte in een zin ziet staan, dan moet dat altijd het onderwerp zijn.
ik =                       ich
wij =         wir
jij =                       du
jullie =      ihr
hij, de jongen = er
zij (mv)=   sie
zij, het meisje = sie
u =             Sie
het =.                    es 
wie=                     wer

Slide 7 - Tekstslide

Voorzetsels (=vrz) 4e nmv: 
  • Durch, = door
  • Für,  = voor(mij)
  • Gegen, = tegen
  • Ohne, = zonder
  • Um, = om
  • Bis, = tot
  • Entlang, = langs
  • Ezelsbruggetje GOEDBUF
  • Al deze vrz krijgen altijd het rijtje van de 4e nvm van het pers nmv mich, dich, ihn enz.

Slide 8 - Tekstslide

Persoonlijk vnw 4e nmv na voorzetsels of het is een lijd vw
wie
wer
wie
wen

Slide 9 - Tekstslide

PROBEER EENS...
Na de  voorzetsels durch, für, ohne, um, bis, gegen en entlang GOEDBUF gebruiken we ook de 4e naamval.
                   
Voorbeeld: um (jou) ........ bin ich nach Hause gegangen.
Er hat diese Hütte für (hem) ...... gebaut.
Wir spielen morgen gegen (hun) ...........
Die Mutter kommt morgen ohne (jullie) ..........

Slide 10 - Tekstslide

maken
maak oefening 16
+ nakijken

Slide 11 - Tekstslide

cito luisteroefening
we gaan klassikaal een aantal vragen maken

Slide 12 - Tekstslide

oefening
Je krijgt 10 minuten de tijd om zoveel mogelijk dierennamen op te schrijven. Schrijf eerst het Nederlandse woord op en daarna het Duitse woord. Je gebruikt hierbij natuurlijk een woordenboek ND
timer
10:00

Slide 13 - Tekstslide

Vraagwoorden
Kijk zo meteen 30 seconden naar de vraagwoorden. Die heb je bij de volgende vragen nodig.
timer
0:30

Slide 14 - Tekstslide

Vertaal het vraagwoord dat tussen haakjes staat in het Duits.
(Wie) ist das? Das ist Otto.
A
wie
B
wer
C
was
D
wo

Slide 15 - Quizvraag

Vertaal het vraagwoord dat tussen haakjes staat in het Duits.
(Waarvandaan) kommt er? Er kommt aus Deutschland.
A
Wie
B
Wer
C
Wo
D
Woher

Slide 16 - Quizvraag

Vertaal het vraagwoord dat tussen haakjes staat in het Duits.
(Wanneer) ist er geboren? Er ist im Juli geboren.
A
Wo
B
Wann
C
Wer
D
Wie

Slide 17 - Quizvraag

Vul het juiste vraagwoord in het Duits in. Het moet in de zin passen!
... heiβt sie? Sie heiβt Marit.
A
Warum
B
Wann
C
Wer
D
Wie

Slide 18 - Quizvraag

Vul het juiste vraagwoord in het Duits in. Het moet in de zin passen!
... wohnt er? Er wohnt in Hamburg.
A
Wo
B
Wohin
C
Wann
D
Was

Slide 19 - Quizvraag

Vul het juiste vraagwoord in het Duits in. Het moet in de zin passen!
... macht er gern? Er zeichnet gern.
A
Warum
B
Was
C
Wann
D
Wie

Slide 20 - Quizvraag

Hausaufgaben Deutsch
leren blz 90 ND rechterkolom
GOEDBUF (aantekeningen persoonlijk vnw) 
maak oefening 12 en Maak tekst D oefening 13 af (als je dat nog niet had) afmaken slim stampen A + B 1 t/m 4

Slide 21 - Tekstslide