B&F, spelling, blok 6 week 1 les 1

Spelling: blok 6 week 1 les 1
Doel: leren schrijven van het kilowoord met -ieel en -iaal
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Spelling: blok 6 week 1 les 1
Doel: leren schrijven van het kilowoord met -ieel en -iaal

Slide 1 - Tekstslide

Noem komma s meervoud woorden

Slide 2 - Woordweb

Noem cola woorden

Slide 3 - Woordweb

Noem verkleinwoorden met aatje

Slide 4 - Woordweb

Noem 10 au-woorden van de au-plaat

Slide 5 - Open vraag

We oefenen met het klankgroepenwoord
1. de plumeau

2. ijzeren


Slide 6 - Tekstslide

Welke tijd?
de man bond
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooide tijd

Slide 7 - Quizvraag

Welke tijd?
de man bindt
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooide tijd

Slide 8 - Quizvraag

Welke tijd?
de man heeft gebonden
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooide tijd

Slide 9 - Quizvraag

Welke tijd?
zij heeft geslagen
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooide tijd

Slide 10 - Quizvraag

Welke tijd?
zij sloeg
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooide tijd

Slide 11 - Quizvraag

Welke tijd?
zij slaat
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooide tijd

Slide 12 - Quizvraag

Werkwoorden
Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd altijd stam + t, behalve bij ik en als jij erachter staat.
De stam is de ik-vorm: rennen, ik ren, dus ren is de stam.
Rennen:
Ik ren - hij rent - ren jij? (stam+t: ren + t = hij rent)
Binden:
Ik bind - hij bindt - bind jij? (stam+t: bind + t= hij bindt)

Slide 13 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd. Vul het werkwoord in: bestrijden
ik ............. de man................. ...............jij?

Slide 14 - Open vraag

Vul het werkwoord in: bestrijden
Tegenwoordige tijd: de man........................
Verleden tijd: de man.........................
Voltooide tijd: de man..........................

Slide 15 - Open vraag

Vul het werkwoord in: vinden
Tegenwoordige tijd: de kat........................
Verleden tijd: de kat.........................
Voltooide tijd: de kat..........................

Slide 16 - Open vraag

Instructie
Kilowoorden met -ieel of -iaal. 
Regel: kilowoord. Ik hoor de ie, maar schrijf de i. 

Woorden die eindigen op -ieel, zijn ook eel-woorden: Eel-woord ik schrijf ee.

1. de liniaal     2. officieel




Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Oefendictee
Stappenplan
1.  Luister naar het woord
2. Zeg het hardop na
3. Denk na, welke categorieën zitten erin?
4. Typ het woord in
5. Controleer het woord
--> ga daarna verder, door op het pijltje te klikken

Slide 19 - Tekstslide

Schrijf op:

Slide 20 - Open vraag

Schrijf op:

Slide 21 - Open vraag

Schrijf op:

Slide 22 - Open vraag

Schrijf op:

Slide 23 - Open vraag

Schrijf op:

Slide 24 - Open vraag

Schrijf op:

Slide 25 - Open vraag

Schrijf op:

Slide 26 - Open vraag

Wat is de persoonsvorm?
A
De grote verhuiswagen
B
rijdt
C
door
D
het centrum

Slide 27 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?
A
De grote verhuiswagen
B
rijdt
C
door
D
het centrum

Slide 28 - Quizvraag

Wat is een voorzetsel?
A
de
B
grote
C
door
D
het

Slide 29 - Quizvraag

Welk woordsoort is: van?
A
voegwoord
B
voorzetsel
C
lidwoord

Slide 30 - Quizvraag

Wat is een zelfstandig naamwoord?
A
De
B
grote
C
verhuiswagen
D
door

Slide 31 - Quizvraag

Wat is een bijvoeglijknaam woord?
A
De
B
grote
C
verhuiswagen
D
door

Slide 32 - Quizvraag

Welk woordsoort is: centrum
A
bijvoeglijk naamwoord
B
stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
C
zelfstandignaamwoord
D
lidwoord

Slide 33 - Quizvraag

Hoe ging de les?
A
Makkelijk
B
Moeilijk
C
Gemiddeld

Slide 34 - Quizvraag

Goed gewerkt!
Succes met de volgende les! 

Slide 35 - Tekstslide