Omvang en bestaansrecht (Bedrijfseconomie vwo), les 1: Uitleg

Maasvlakte, Rotterdam. Foto: Adl252, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Omvang en bestaansrecht

Examenstof bedrijfseconomie vwo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over de indelingscriteria van een organisatie: omvang (absoluut en relatief, marktaandeel in afzet en omzet) en commerciële of niet-commerciële doelstelling, en over bestaansrecht en bijdragen zoals werkgelegenheid, inkomen en circulariteit. 9 dia's, 6 checks, exit en begrippen; voor vwo bedrijfseconomie.

Onderdelen in deze les

Maasvlakte, Rotterdam. Foto: Adl252, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Omvang en bestaansrecht

Examenstof bedrijfseconomie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: B4 14.1, 14.1.1, 14.1.2, 14.2, 14.2.1. Image credit: Adl252 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Wat ga je kunnen?

Ik kan de omvang en het marktaandeel van een organisatie berekenen, haar indelen en haar bestaansrecht en bijdragen aan de maatschappij uitleggen.

Deze slide heeft geen instructies

Hoe groot is een organisatie, en waarom mag ze eigenlijk bestaan?

Syllabus 14.1 en 14.2: verwachte woorden zijn omzet, medewerkers, marktaandeel, winst, zorg, banen, belasting, behoefte, concurrent. Deel de woorden later in de les in: wat hoort bij omvang, wat bij doelstelling, wat bij bestaansrecht.

Maasvlakte, Rotterdam. Foto: Adl252, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Absolute omvang

  • De absolute omvang is de grootte van een organisatie in haar eigen cijfers, los van andere organisaties.

  • Je meet die in omzet in euro's, afzet in stuks, aantal medewerkers of balanstotaal.

  • Een containerterminal met duizenden medewerkers is absoluut groot, een slagerij met vier medewerkers klein.

  • Een absoluut getal zegt niets over de positie in de markt: daarvoor heb je de relatieve omvang nodig.

Syllabus 14.1.1: de absolute omvang uitleggen en berekenen. De syllabus geeft geen lijst met maatstaven; omzet, afzet, aantal medewerkers en balanstotaal zijn gangbare voorbeelden van eigen cijfers. Veelgemaakte fout: denken dat een grote omzet automatisch een groot marktaandeel betekent. Image credit: Adl252 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Binnenkant van een supermarkt in Beverwijk (archieffoto)

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Relatieve omvang

  • De relatieve omvang is de grootte van een organisatie ten opzichte van de andere organisaties in dezelfde markt.

  • Je drukt die uit in het marktaandeel: het deel van de totale markt dat de organisatie zelf bedient.

  • Marktaandeel kan over afzet (aantal verkochte producten) gaan of over omzet (verkopen in euro's).

  • Een kleine organisatie kan relatief groot zijn: in een kleine markt kan ze een groot marktaandeel hebben.

Syllabus 14.1.1: absolute en relatieve omvang, marktaandeel (afzet en omzet). Laat leerlingen bedenken dat dezelfde organisatie bij een andere marktafbakening een ander marktaandeel krijgt (een supermarkt in het dorp of in heel Nederland). Veelgemaakte fout: relatieve omvang en absolute omvang als synoniem gebruiken. Image credit: Bert Verhoeff / Anefo, Nationaal Archief via Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Marktaandeel berekenen

  • Marktaandeel in afzet = afzet van de organisatie / totale afzet in de markt × 100%.

  • Marktaandeel in omzet = omzet van de organisatie / totale omzet in de markt × 100%.

  • Voorbeeld: een fietsenfabrikant verkoopt 12.000 van de 80.000 fietsen in de markt: 12.000 / 80.000 × 100% = 15%.

  • Verkoop je goedkoper dan het marktgemiddelde, dan is je aandeel in afzet hoger dan je aandeel in omzet. Bij duurder is het andersom.

  • Stijgt het aandeel van 15% naar 18%, dan is dat 3 procentpunt, en een procentuele stijging van 3 / 15 × 100% = 20%.

Syllabus 14.1.1: de relatieve omvang uitleggen en berekenen, marktaandeel (afzet en omzet). Berekening: 12.000 / 80.000 = 0,15 = 15%. Procentpunt: 18% min 15% = 3 procentpunt. Procentueel: 3 / 15 = 0,20 = 20%. Veelgemaakte fouten: procent en procentpunt door elkaar halen, en het marktaandeel berekenen ten opzichte van de verkeerde noemer (de afzet van de concurrent in plaats van de totale markt).

Webshop Ploeg heeft € 8 miljoen omzet. De markt is € 40 miljoen. Wat is het marktaandeel in omzet?

A

20%

B

5%

C

32%

D

80%

Syllabus 14.1.1: 8 / 40 × 100% = 20%. Verwachte fouten: de breuk omdraaien (40 / 8 = 5), de omzet van de markt aftrekken (40 min 8 = 32) of het deel van de markt dat de webshop niet bedient (100% min 20% = 80%).

Vul in

De absolute omvang meet je in eigen cijfers; de relatieve omvang vergelijkt je met de markt, via het marktaandeel in afzet of omzet.

absolute omvang
relatieve omvang
marktaandeel
marktomvang
bestaansrecht

Syllabus 14.1.1: absolute omvang, relatieve omvang, marktaandeel. Verwachte fout: absolute en relatieve omvang omdraaien.

Kinderboerderij in Berghem. Foto: RagingR2, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Commercieel of niet?

  • De doelstelling is wat een organisatie wil bereiken. Daarmee deel je haar in.

  • Een commerciële organisatie wil vooral resultaat (winst) maken voor haar eigenaren.

  • Een niet-commerciële organisatie wil vooral een maatschappelijk doel bereiken, zoals zorg, hulp of educatie.

  • Ook zonder winstdoel heeft een niet-commerciële organisatie geld nodig om haar kosten te dekken.

Syllabus 14.1.2: het onderscheid uitleggen tussen een commerciële en een niet-commerciële doelstelling. Het criterium is de doelstelling, niet de sector of de rechtsvorm: een zorginstelling kan commercieel zijn, een bv kan een maatschappelijk doel hebben. In het examen heet het resultaat 'resultaat' (synoniem van winst). Veelgemaakte fout: denken dat een niet-commerciële organisatie geen inkomsten of geen resultaat mag hebben. Image credit: RagingR2 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Ingang van een academisch ziekenhuis (archieffoto)

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Bestaansrecht

  • Een organisatie heeft bestaansrecht zolang ze in een maatschappelijke behoefte voorziet.

  • Dat doet ze met een product of dienst: een bakker met brood, een ziekenhuis met zorg.

  • Veranderen de behoeften van de samenleving, dan verandert het bestaansrecht mee: de organisatie moet meebewegen of verdwijnt.

  • Commerciële en niet-commerciële organisaties ontlenen hun bestaansrecht allebei aan behoeften.

Syllabus 14.2.1: uitleggen in welke maatschappelijke behoeften de organisatie voorziet. De omschrijving van bestaansrecht is een uitleg in leerlingtaal, de syllabus geeft geen definitie. Veelgemaakte fout: bestaansrecht gelijkstellen aan winst maken; een organisatie die verlies lijdt kan nog steeds in een behoefte voorzien. Image credit: Anefo, Nationaal Archief via Wikimedia Commons, CC0

Elektrische bus, Den Haag. Foto: Smiley.toerist, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Wat levert ze op?

  • Werkgelegenheid: de organisatie biedt banen. Inkomen: medewerkers, eigenaren en leveranciers verdienen eraan.

  • Innovatie en/of verbetering: nieuwe of betere producten en werkwijzen, zoals een elektrische bus.

  • Belastingopbrengsten: de organisatie betaalt belasting, waarmee de overheid voorzieningen betaalt.

  • Met het product of de dienst zelf en circulariteit (blok 3) vormen ze haar bijdrage aan de maatschappij.

Syllabus 14.2.1: product of dienst, werkgelegenheid, innovatie en/of verbetering, belastingopbrengsten, inkomen en circulariteit (die laatste volgt in blok 3). Het is steeds de vraag in welke maatschappelijke behoefte de organisatie voorziet en wat ze de samenleving oplevert. Veelgemaakte fout: werkgelegenheid (banen) en inkomen (wat mensen verdienen) door elkaar halen. Image credit: Smiley.toerist / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een stichting begeleidt werklozen naar werk en leeft van subsidie en giften. Welke doelstelling heeft ze?

A

Commercieel, omdat ze geld ontvangt

B

Niet-commercieel, met een maatschappelijk doel

C

Commercieel, omdat ze eigenaren heeft

D

Geen van beide, want ze is een stichting

Syllabus 14.1.2: de doelstelling bepaalt de indeling, niet de geldstromen of de rechtsvorm. Verwachte fout: denken dat het ontvangen van geld commercieel maakt.

Vul in

Een organisatie levert werkgelegenheid aan mensen, die daarmee een inkomen verdienen waarover de overheid belastingopbrengsten ontvangt.

werkgelegenheid
inkomen
belastingopbrengsten
innovatie
marktaandeel

Syllabus 14.2.1: werkgelegenheid, inkomen, belastingopbrengsten. Verwachte fout: werkgelegenheid en inkomen omdraaien.

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Afzet, omzet en prijs

  • Omzet = afzet × prijs. Wijkt je prijs af van de markt, dan verschilt je aandeel in afzet van je aandeel in omzet.

  • Koffiebrander Bruin verkoopt 20.000 kg van 250.000 kg: aandeel in afzet = 20.000 / 250.000 × 100% = 8%.

  • Bruin haalt € 500.000 omzet uit een markt van € 5 miljoen: aandeel in omzet = 500.000 / 5.000.000 × 100% = 10%.

  • Bruin vraagt € 25 per kg (500.000 / 20.000), de markt gemiddeld € 20 per kg: duurder, dus hoger aandeel in omzet.

  • Groeit de markt sneller dan jij, dan daalt je marktaandeel terwijl je absolute omvang toch stijgt.

Syllabus 14.1.1: de absolute en relatieve omvang uitleggen en berekenen, marktaandeel in afzet en in omzet. Uitwerking: 20.000 / 250.000 = 0,08 = 8%; 500.000 / 5.000.000 = 0,10 = 10%; prijs Bruin 500.000 / 20.000 = € 25, marktprijs 5.000.000 / 250.000 = € 20. Controle: 10% / 8% = 1,25 = € 25 / € 20. Veelgemaakte fout: denken dat het aandeel in afzet en in omzet altijd gelijk zijn.

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Circulariteit

  • Ook circulariteit is een bijdrage aan de maatschappij: grondstoffen en producten zo lang mogelijk gebruiken en hergebruiken.

  • Zo voorziet een organisatie in de behoefte aan minder afval en minder nieuwe grondstoffen.

  • Voorbeeld: Refurb Lab knapt afgeschreven laptops van scholen op en verkoopt ze opnieuw.

  • Refurb Lab levert daarnaast werkgelegenheid (reparateurs), inkomen en belastingopbrengsten.

  • In de les over MVO zie je hoe circulariteit samenhangt met duurzaamheid en people, planet, profit.

Syllabus 14.2.1: circulariteit staat in de begrippenlijst bij de maatschappelijke behoeften. De syllabus geeft geen definitie; de omschrijving is uitleg in leerlingtaal. Refurb Lab is een verzonnen voorbeeld. De verdieping met duurzaamheid en people, planet, profit hoort bij 14.2.2 (MVO), in een eigen les. Veelgemaakte fout: alles wat 'groen' is circulair noemen; circulair gaat over hergebruik van grondstoffen en producten.

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Indelen in een casus

  • Je deelt een organisatie in met indelingscriteria: haar omvang (absoluut of relatief) en haar doelstelling.

  • Stap 1: bepaal de omvang. Reken de relatieve omvang uit met afzet of omzet en de totale markt.

  • Stap 2: bepaal de doelstelling: commercieel of niet-commercieel.

  • Stap 3: noem de maatschappelijke behoefte en het product of de dienst waaraan de organisatie haar bestaansrecht ontleent.

  • Stap 4: benoem de bijdragen: werkgelegenheid, inkomen, innovatie en/of verbetering, belastingopbrengsten en circulariteit.

Syllabus 14.1 (indelingscriteria: 14.1.1 omvang, 14.1.2 doelstelling), 14.2 en 14.2.1 (bestaansrecht en maatschappelijke behoeften). De vier stappen zijn een eigen werkwijze die de syllabusonderdelen op een rij zet; ze staan niet als zodanig in de syllabus.

Melk & Co verkoopt 30 van 600 mln liter, voor € 24 mln van € 540 mln. Wat klopt?

A

Afzet 5%, omzet 4,4%: prijs boven het gemiddelde

B

Afzet 4,4%, omzet 5%: prijs onder het gemiddelde

C

Afzet en omzet 5%: prijs gelijk aan het gemiddelde

D

Afzet 5%, omzet 4,4%: prijs onder het gemiddelde

Syllabus 14.1.1: aandeel in afzet 30 / 600 × 100% = 5%; aandeel in omzet 24 / 540 × 100% = 4,4%. Prijs Melk & Co € 24 mln / 30 mln liter = € 0,80 per liter, markt € 540 mln / 600 mln liter = € 0,90 per liter. Een lager aandeel in omzet dan in afzet betekent een prijs onder het gemiddelde. Verwachte fouten: de conclusie over de prijs omdraaien of de twee aandelen verwisselen.

Voedselbank Oost geeft 2.000 van de 40.000 pakketten per week. Welke indeling klopt?

A

Niet-commercieel, relatieve omvang 5%

B

Commercieel, relatieve omvang 5%

C

Niet-commercieel, relatieve omvang 20%

D

Niet-commercieel, absolute omvang 5%

Syllabus 14.1, 14.1.1 en 14.1.2: twee indelingscriteria tegelijk. Doelstelling: een maatschappelijk doel, dus niet-commercieel. Relatieve omvang: 2.000 / 40.000 × 100% = 5%. De absolute omvang is 2.000 pakketten, geen percentage. Verwachte fouten: de breuk omdraaien (40.000 / 2.000 = 20) of een percentage absolute omvang noemen.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Omvang en marktaandeel berekenen

2

Commercieel of niet-commercieel

3

Bestaansrecht en bijdragen

4

Circulariteit en indelen in een casus

Gebruik de uitkomst om in de examentraining extra aandacht te geven aan het lastigste onderdeel.

Noem twee bijdragen van een bedrijf bij jou.

Syllabus 14.2.1: goed is een concreet bedrijf met twee bijdragen uit de lijst, bijvoorbeeld werkgelegenheid en belastingopbrengsten, of het product of de dienst en circulariteit, met een korte toelichting. Verwachte fout: alleen 'winst' noemen, dat is geen bijdrage aan de maatschappij.

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Begrippen (1/2)

  • absolute omvang: De grootte van een organisatie in eigen cijfers, zoals omzet of aantal medewerkers.

  • relatieve omvang: De grootte van een organisatie ten opzichte van de andere organisaties in de markt.

  • marktaandeel: Het deel van de markt dat de organisatie bedient, in afzet of in omzet, in procenten.

  • doelstelling: Wat een organisatie wil bereiken: commercieel (resultaat maken) of niet-commercieel (maatschappelijk doel).

  • maatschappelijke behoeften: Wat mensen en de samenleving nodig hebben of willen en waarin de organisatie voorziet.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · PERSPECTIEF · OMVANG

Begrippen (2/2)

  • werkgelegenheid: De banen die een organisatie biedt.

  • innovatie en/of verbetering: Nieuwe of betere producten en werkwijzen die een organisatie de maatschappij biedt.

  • belastingopbrengsten: De belasting die een organisatie betaalt en waarmee de overheid voorzieningen betaalt.

  • inkomen: Wat medewerkers, eigenaren en leveranciers aan de organisatie verdienen.

  • circulariteit: Grondstoffen en producten zo lang mogelijk gebruiken en hergebruiken, met zo min mogelijk afval.

Deze slide heeft geen instructies