H2 Zelfstandig gebruikte telwoorden

H2 Spelling blz. 68
Zelfstandig gebruikte telwoorden 
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

H2 Spelling blz. 68
Zelfstandig gebruikte telwoorden 

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je over zelfstandig
gebruikte telwoorden?

Slide 2 - Woordweb

Sommige of sommigen?

Geldt ook voor woorden als enkele(n), vele(n), alle(n), beide(n).

Schrijf ‘sommige’ wanneer:
(1)het terugslaat op een dier of ding óf
(2)het bijvoeglijk gebruikt is.
Schrijf ‘sommigen’ wanneer:

(1) het zelfstandig gebruikt wordt én het betrekking heeft op personen.



Slide 3 - Tekstslide

Sommige of sommigen?

Een woord wordt zelfstandig gebruikt als je achter het woord geen zelfstandig naamwoord uit de zin in kunt vullen.

Bijvoeglijk:

De treinreizigers waren boos op de NS en sommige eisten een schadevergoeding.

want: De treinreizigers waren boos op de NS en sommige (treinreizigers) eisten een
schadevergoeding.

Zelfstandig: ‘Wij hebben het vertrouwen verloren’, zeiden de journalisten, die allen
van mening waren dat de militairen de situatie in Kunduz te gunstig voorstelden.

want:‘Wij hebben het vertrouwen verloren’, zeiden de journalisten, die allen journalisten van mening waren dat de militairen de situatie in Kunduz te gunstig voorstelden.



Slide 4 - Tekstslide

Met -n
Wordt het woord zelfstandig gebruikt en wordt de persoon in de zin niet vaker genoemd. Dan met -n
Allen hadden een zwemdiploma.

Telwoorden als tientallen, honderden, duizenden en miljoenen hebben altijd een -n.

Slide 5 - Tekstslide

Zonder -n
Zelfstandig gebruikte woorden krijgen geen -n als ze op mensen slaan die in dezelfde zin wel eerder genoemd worden + dieren en dingen

Veel supporters in Brugge kwamen met de trein en slechts enkele (supporters) met de eigen auto.


Slide 6 - Tekstslide

Beide(n) zijn getrouwd en hebben kinderen.
A
beide
B
beiden

Slide 7 - Quizvraag

De chocoladeletters waren beide(n) gebroken.
A
beiden
B
beide

Slide 8 - Quizvraag

De lege inktpatronen zijn alle(n) vervangen door nieuwe.
A
alle
B
allen

Slide 9 - Quizvraag

Is onderstaande zin juist of onjuist?
Ik heb twee opa's. Beide komen trouw op mijn verjaardag.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 10 - Quizvraag

Verkleinwoorden
blz. 69

Slide 11 - Tekstslide

verkleinwoorden

Slide 12 - Woordweb

-je
- Zelfstandig naamwoorden meestal -je

- de kaas                       het kaasje
- de worst                     het worstje
- het huis                      het huisje



Slide 13 - Tekstslide

-pje
woorden die eindigen op -m

- de boom               het boompje
- de zoom               het zoompje
- het geheim         het geheimpje

Slide 14 - Tekstslide

-tje
- de lepel              het lepeltje
- de stoel              het stoeltje
- het ding              het dingetje

Slide 15 - Tekstslide

-tje
De medeklinker wordt verdubbeld als er een korte klinker is (niet bij alle woorden)

- de ster                    het sterretje
- de pop                    het poppetje

Slide 16 - Tekstslide

-tje
Woorden die eindigen op een lange klinker (a, é, o, u)

- de auto                 het autootje
- de paraplu           het parapluutje
- de logé                  het logeetje

Slide 17 - Tekstslide

-tje
Woorden die eindigen op -i wordt -ietje

- de taxi                 het taxietje
- de ski                   het skietje

Slide 18 - Tekstslide

'tje
Woorden die eindigen op -y en afkortingen

- de baby                 het baby'tje
- de hobby              het hobby'tje
- de usb                   het usb'tje

Slide 19 - Tekstslide

-nkje
Woorden die eindigen op -ng

- de woning                    het woninkje
- de koning                     het koninkje

Slide 20 - Tekstslide

Wat is het verkleinwoord?
het logo

Slide 21 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord?
de sms

Slide 22 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord?
het paard

Slide 23 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord?
de beloning

Slide 24 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord?
de foto

Slide 25 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord?
de bikini

Slide 26 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord?
de baby

Slide 27 - Open vraag

Werkwoordsvormen
Blz. 71

Slide 28 - Tekstslide

Welke werkwoordsvorm
ken je?

Slide 29 - Woordweb

7 Werkwoordsvormen

Slide 30 - Tekstslide

1. Infinitief [inf]
Het infinitief heet ook wel het hele werkwoord.
De vorm verandert niet.

Vaak in combinatie met een hulpwerkwoord of te:

Wij moeten vanavond
thuisblijven.
Ik hoop je later te zien!

Slide 31 - Tekstslide

2. Persoonsvorm tegenwoordige tijd [pvtt]
De [pv] kan van getal veranderen.
De vorm verandert dan ook.
ik-vorm (stam)ik-vorm (stam)

jij/hij/zij vraagt
jij/hij/zij pakt
jij/hij/zij hebt
jij/hij/zij leeft

ik vraag
ik pak
ik heb
ik leef

wij/jullie/zij vragen
wij/jullie/zij pakken
wij/jullie/zij hebben
wij/jullie/zij leven 
ik-vorm (stam)
meervoud = infinitief
stam + t

Slide 32 - Tekstslide

3. Persoonsvorm verleden tijd [pvvt]
De [pv] kan van getal en tijd veranderen.
De vorm verandert dan ook.
Zwakke werkwoorden zijn regelmatig:
ik-vorm (stam)ik-vorm (stam)

ik/jij/hij/zij maakte
ik/jij/hij/zij leefde
ik/jij/hij/zij fietste
ik/jij/hij/zij reisde

ik maak
ik leef
ik fiets
ik reis

wij/jullie/zij maakten
wij/jullie/zij leefden
wij/jullie/zij fietsten
wij/jullie/zij reisden
ik-vorm (stam)
stam + ten/den
stam + te/de

Slide 33 - Tekstslide

3. Persoonsvorm verleden tijd [pvvt]
De [pv] kan van getal en tijd veranderen.
De vorm verandert dan ook.
Sterke werkwoorden zijn onregelmatig:
ik-vorm (stam)ik-vorm (stam)

ik/jij/hij/zij ging
ik/jij/hij/zij keek
ik/jij/hij/zij dronk
ik/jij/hij/zij mocht

ik ga
ik kijk
ik drink
ik mag

wij/jullie/zij gingen
wij/jullie/zij keken
wij/jullie/zij dronken
wij/jullie/zij mochten
ik-vorm (stam)
stam + ten/den
stam + te/de

Slide 34 - Tekstslide

4. Gebiedende wijs [gw]
De gebiedende wijs wordt gebruikt voor een aansporing. Er staat geen onderwerp in de zin. 
De vorm verandert niet.

Probeer het eerst eens zelf!
Snij de wortels en kook ze in 10 minuten gaar.
Maar: Wees niet zo bang!


Slide 35 - Tekstslide

5. voltooid deelwoord [vd]
Het voltooid deelwoord geeft aan dat een handeling is afgerond (voltooid). Meestal samen met zijn, hebben, of worden. 
De vorm verandert veel.

Ik ben gisteren naar de supermarkt gegaan.
Wij hebben onze auto verkocht.
De lessen worden online georganiseerd.
Hij is lekker door het park gefietst.
Hebben jullie al ontbeten?

Slide 36 - Tekstslide

6. onvoltooid deelwoord [od]
Het onvoltooid deelwoord geeft aan dat een handeling nog bezig is (onvoltooid). Kan alleen of met een ander ww.
De vorm verandert niet: infinitief + d(e)

Zoekend loopt hij door de straat, hij weet het huisnummer niet.
Vrolijk lachend stapten de kinderen uit de bus.
Hij is zeilend de wereld over gereisd.

Slide 37 - Tekstslide

7. bijvoeglijk naamwoord [bn]
Van voltooide deelwoorden kun je een
bijvoeglijk naamwoord maken.
De vorm is zo kort mogelijk en verandert soms.
ik-vorm (stam)ik-vorm (stam)

geluisterd
verkocht
gebakken
vergroot

luisteren
verkopen
bakken
vergroten

de geluisterde podcast
een verkochte auto
het gebakken ei
de vergrote foto
infinitief
bijvoeglijk naamwoord
voltooid deelwoord

Slide 38 - Tekstslide

7. bijvoeglijk naamwoord [bn]
Van onvoltooide deelwoorden kun je ook een
bijvoeglijk naamwoord maken.
De vorm is zo kort mogelijk en verandert soms.
ik-vorm (stam)ik-vorm (stam)

luisterend
verkopend
bakkend
vergrotend

luisteren
verkopen
bakken
vergroten

een luisterend oor
de verkopende game
de bakkende bakker
een vergrotend effect
infinitief
bijvoeglijk naamwoord
onvoltooid deelwoord

Slide 39 - Tekstslide