Domein 1. getallen

Domein 1. getallen
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenISK

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Domein 1. getallen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen

  
- Je kent de grote getallen en kan hiermee rekenen 
- Je kunt rekenen met negatieve getallen 
- Je kunt rekenen met decimale getallen
- Je weet hoe je handig gaat rekenen 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grote getallen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel is het cijfer 8 waard in dit getal?
3682
A
8 eenheden
B
8 tienden
C
8 tientallen
D
8 honderdtallen

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de 2 waard in
102.890
A
200
B
2000
C
2
D
2,0

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Rond af op een duizendtal
102.890
A
100.000
B
103.000
C
102.000
D
102.900

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de getallen van klein naar groot:
a. 4.085.679.000
b. 4,85 miljoen
c. 4,1 miljard
d. 4.445.119
A
a b c d
B
b a d c
C
d b a c
D
a b d c

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Hoe schrijf je 2,7 miljard in cijfers?
A
27.000
B
2,700,000,000
C
2.700.000.000
D
2,700,000

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4.800 : 600 =
A
80
B
800
C
400
D
8

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Rond af op een heel getal
€ 3,49
A
€ 3,50
B
€ 4
C
€ 3,40
D
€ 3

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

€ 11.880 : 30 ~
A
400
B
396
C
390
D
410

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

negentigduizendvijfhonderd
A
90500
B
9500
C
90500000
D
90000500

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

zevenenvijftigduizend
A
750000
B
5007
C
75000
D
57000

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Negatieve getallen
Denk aan temperatuur 🌡️
Boven 0 → positief (bijvoorbeeld: 5°C)
Onder 0 → negatief (bijvoorbeeld: –3°C)

 In de winter in Amsterdam kan het –2°C zijn.
Dat is kouder dan 0.

Belangrijk:
Hoe verder onder nul, hoe kouder.
–5 is kouder dan –1.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Denk aan geld

Je hebt €10 → dat is positief (+10)
Je hebt €0 → niets

Je hebt schulden van €5 → dat is –5

Negatief betekent: je mist iets of je hebt schuld.
Simpele regels

Een min voor een getal betekent: onder nul / minder dan nul

0 is het midden

 Negatieve getallen staan links van 0

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld
10 + –4 = 6


10 + –4 betekent:
 je hebt 10
 je gaat 4 naar links op de getallenlijn
10 → 9 → 8 → 7 → 6

Dus het antwoord is 6

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Marthe heeft € 60 op haar rekening.
Ze koopt een broek van € 70 en betaalt met haar bankpas.
Hoeveel heeft ze nu op haar rekening?
A
10 euro
B
-10 euro
C
geen idee
D
130 euro

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op donderdag was het -3 graden. Op vrijdag is het 5 graden warmer.

Hoeveel graden is het op vrijdag?
A
- 2 graden
B
- 8 graden
C
8 graden
D
2 graden

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de getallen onder elkaar in volgorde van laag naar hoog.

8, -10, 15, -24, 30

Slide 21 - Open vraag

Begin bij de negatieve getallen: de grootste zijn het minst waard. Bij de positieve getallen is het andersom.
Vind je het nog moeilijk? Zet de getallen in je hoofd op een getallenlijn.
35 - 65=

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Decimale getallen
een decimaal getal is een kommagetal.
in het getal staat een komma.
Er staan cijfers voor de komma en achter de komma

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een eenheid kun je opdelen in 10 stukken. 
Elk stuk is een tiende 0,1 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

34,5 + 9,89 
twee getallen met een verschillend aantal cijfers achter de komma kun je ook met elkaar vergelijken. 
Je maakt de cijfers achter de komma eerst gelijk. 
Je mag achter het laatste cijfer van een decimaal getal een 0 toevoegen of een 0 weghalen. 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

afronden decimale getallen
je kunt decimale getallen afronden op een geheel getal
je kijkt naar de tienden: het cijfer direct rechts van de komma
als dit cijfer klein dan 5 is, rond je het getal naar beneden af.
als dit cijfer 5 of groter is, rond je het getal naar boven af. 

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afronden op 1 decimaal:

3,45
A
3,4
B
3,40
C
3,5
D
3,50

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bereken de som.

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Truus loopt een wedstrijd van 31,08 kilometer. Ze heeft al 8,5 kilometer gelopen. Hoeveel kilometer moet Truus nog lopen?

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het grootste getal?

0,33 / 3,3 / 0,3 / 3,33 / 3,03
A
3,3
B
3,33
C
3,03
D
0,33

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

afronden op 2 decimalen
77,88813
A
77,8
B
77,88
C
77,89
D
77,90

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Rond de getallen af op hele euro's

3,99 - 1,47 - 2, 53

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Theorie
grote getallen kun je splitsen in duizendtallen, honderdtallen, tientallen en eenheden,

voorbeeld: het getal 1453  splits je in 1000, 400, 50 en 3

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt optellen en aftrekken makkelijker maken met splitsen en rijgen

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

22 + 19 + 18 + 61 =
Hoe ga je handig rekenen?

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

53 + 39 =

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

218 + 33 + 22 =

Slide 40 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

opdracht 1
opdracht 2

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

opdracht 3
opdracht 4

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies