Overheid en schuld (Economie havo), les 2: Examentraining

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Examentraining

Overheid en schuld: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vragen over saldo en schuld in een tabel, een grafiek lezen, tekort- en schuldquote met het stabiliteitspact en soorten uitgaven en ontvangsten herkennen.

Onderdelen in deze les

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Examentraining

Overheid en schuld: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rijksoverheid / Wikimedia Commons, CC0

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over saldo, schuld, soorten uitgaven en ontvangsten en quotes beantwoorden.

Deze slide heeft geen instructies

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welk land, welk jaar en wat wordt gevraagd: saldo, schuld of quote?

  • 2. Kies: de formule: saldo = ontvangsten - uitgaven, schuld eind = schuld begin + tekort of quote = bedrag / bbp x 100%.

  • 3. Reken: vul in, schrijf de stappen op en let op de eenheid (miljard euro of %).

  • 4. Controleer: stijgt de schuld bij een tekort en daalt ze bij een overschot?

Deze slide heeft geen instructies

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Ontvangsten, uitgaven, saldo en schuld van Zuidland

Vraagtype 1: saldo en schuld in een tabel

  • Saldo = ontvangsten - uitgaven. Negatief is een tekort.

  • Schuld eind = schuld begin + tekort. Bij een overschot daalt de schuld.

  • De schuld eind van het ene jaar is de schuld begin van het volgende jaar.

Zuidland: schuld begin jaar 1 is 200. Jaar 1 tekort 20, schuld 220. Jaar 2 tekort 15, schuld 235. Jaar 3 saldo 0, schuld 235. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Zuidland (zie tabel): hoe groot is de schuld aan het begin van jaar 2?

A

220 miljard euro

B

200 miljard euro

C

235 miljard euro

D

20 miljard euro

De schuld eind jaar 1 (220) is de schuld begin jaar 2. Verwachte fouten: de schuld begin jaar 1 (200) of het tekort (20).

Tekort jaar 4 is 10. Wat is de schuld eind?

De schuld eind jaar 3 is 235, dus 235 + 10 = 245 miljard euro. Verwachte fout: 10 als antwoord noemen of aftrekken (225).

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Saldo per jaar en staatsschuld van Westland

Vraagtype 2: een grafiek over saldo en schuld lezen

  • Boven staan de saldo's per jaar: onder de nul is een tekort, erboven een overschot.

  • Onder staat de schuld aan het einde van het jaar.

  • Zoek het verband: tekort omhoog in de schuld, overschot omlaag.

Westland: schuld eind jaar 0 tot 5: 200, 220, 235, 235, 225, 235. Saldo jaar 1 tot 5: -20, -15, 0, +10, -10. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

Westland (zie grafiek): in welk jaar daalt de staatsschuld?

A

Jaar 2

B

Jaar 3

C

Jaar 5

D

Jaar 4

In jaar 4 is er een overschot van 10, dus de schuld daalt van 235 naar 225. Verwachte fout: jaar 3, waar het saldo nul is en de schuld gelijk blijft.

Waarom bleef de schuld in jaar 3 gelijk?

Het saldo was 0: ontvangsten en uitgaven waren gelijk, dus geen tekort om bij de schuld op te tellen. Verwachte fout: zeggen dat er een overschot was.

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Vraagtype 3: quotes en het stabiliteitspact

  • Tekortquote = tekort / bbp x 100%. Schuldquote = schuld / bbp x 100%.

  • Toets aan het stabiliteitspact: tekort hoogstens 3% en schuld hoogstens 60% van het bbp.

  • Procentpunt: een quote die stijgt van 50% naar 60% stijgt met 10 procentpunt. In procenten is dat 20%.

Veelgemaakte fouten: de quote omkeren (bbp / tekort) en procentpunt met procent verwarren.

Land D: bbp 600 en tekort 24 (miljard euro). Wat is de tekortquote?

A

24%

B

4%

C

25%

D

0,4%

24 / 600 x 100% = 4%. Verwachte fouten: de bedragen vergelijken (24%) of omkeren (600 / 24 = 25).

Land E: bbp 500 en schuld 350. Voldoet het land aan de schuldgrens?

A

Nee, 70% is meer dan 60%

B

Ja, 70% is minder dan 100%

C

Nee, de schuldquote is 143%

D

Ja, alleen het tekort telt mee

350 / 500 x 100% = 70%, boven de 60% van het stabiliteitspact. Verwachte fout: omkeren (500 / 350 = 143%).

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Eerste schooldag op een basisschool in Amsterdam

Vraagtype 4: soorten uitgaven en ontvangsten herkennen

  • Vraag je af: krijgt de overheid er iets voor terug of niet?

  • Geld zonder tegenprestatie aan huishoudens is een overdracht. De eigen werking is overheidsconsumptie.

  • Belasting op inkomen is direct, belasting op aankopen indirect.

Hulpvraag: wie ontvangt het geld en waarvoor? Veelgemaakte fouten: subsidie en overdracht verwarren, directe en indirecte belasting omdraaien. Image credit: Bart Molendijk / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Het Rijk betaalt bijstandsuitkeringen. Welke soort uitgave is dat?

A

Overheidsconsumptie

B

Overheidssubsidies

C

Overdrachtsuitgaven

D

Overheidsinvesteringen

Een uitkering is geld zonder tegenprestatie: een overdrachtsuitgave. Verwachte fout: overheidsconsumptie.

Accijns op benzine is voor de overheid een:

A

directe belasting

B

indirecte belasting

C

sociale premie

D

niet-belastingontvangst

Accijns zit in de prijs van een product, dus indirecte belasting.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Saldo en schuld in een tabel

2

Een grafiek lezen

3

Quotes en het stabiliteitspact

4

Soorten uitgaven herkennen

Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen.

OVERHEID · SCHULD EN BEGROTING

Tips voor op het examen

  • Schrijf eerst de formule op en vul daarna de getallen in.

  • Zet de eenheid erbij: miljard euro of procent.

  • Een tekort verhoogt de schuld, een overschot verlaagt haar.

  • Onderscheid procent en procentpunt: 50% naar 60% is 10 procentpunt.

Deze slide heeft geen instructies