V4 - Chapitre 2 - Grammaire - Passé composé ou imparfait?

Aujourd'hui
Corriger: ex. 21 - 23
C Parler:
- phrases-clés 1: ex. 24, 25
- grammaire 2: ex. 27, 28, 29
Le but: 
Tu comprends le fil rouge d'un texte.
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo lwoo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Aujourd'hui
Corriger: ex. 21 - 23
C Parler:
- phrases-clés 1: ex. 24, 25
- grammaire 2: ex. 27, 28, 29
Le but: 
Tu comprends le fil rouge d'un texte.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Phrases-clés 1
se débrouiller dans les transports en commun

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zet de werkwoorden in de juiste vorm en in de juiste tijd
  1. Je (imparfait) (donner)
  2. Elle (passé composé) (partir)
  3. Tu (passé composé) (vendre)
  4. Ils (passé composé) (danser)
  5. Il (imparfait) (choisir)
  6. J' (imparfait) (avoir)
  7. Elle (passé composé) (attendre)
  8. Tu (imparfait) (travailler)
  9. Nous (passé composé) (parler)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  1. Je (imparfait) (donner)
  2. Elle (passé composé) (partir)
  3. Tu (passé composé) (vendre)
  4. Ils (passé composé) (danser)
  5. Il (imparfait) (choisir)
  6. J' (imparfait) (avoir)
  7. Elle (passé composé) (attendre)
  8. Tu (imparfait) (travailler)
  9. Nous (passé composé) (parler)
  1. je donnais
  2. est partie
  3. as vendu
  4. ont dansé 
  5. choisissait
  6. j'avais
  7. a attendu
  8. travaillais
  9. avons parlé

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Passé composé
Hoe maak je die?

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. hulpwerkwoord
- avoir / être


 





hulpww être? -> accord!
2. voltooid deelwoord
- regelmatige werkwoorden:
    * -er  = é
    * -re  = u
    * -ir    = i
- onregelmatige werkwoorden: 
    * avoir       = eu
    * être         = été
    * faire        = fait
    * prendre = pris

Slide 7 - Tekstslide

samenvatting
Imparfait
Hoe maak je die?

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imparfait
Stap 1: maak de stam                   (= nous-vorm; -ons eraf)
Stap 2: uitgang achter de stam

je                              + ais
tu                              + ais
il / elle / on            + ait
nous                        + ions
vous                         + iez
ils / elles                 +aient

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Passé composé
Wanneer gebruik je de passé composé?
- een afgesloten gebeurtenis / handeling - begin en einde zijn duidelijk
- activiteiten: wat er is gebeurd
                             wat iemand gedaan heeft
- geeft antwoord op de vraag 'en toen?'
- er is vaak een tijdsaanduiding

Hier, j'ai lu un article sur Taylor Swift.
Elle est née le 13 décembre 1989.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Passé composé
Je gebruikt de passé composé bij:
- een afgesloten gebeurtenis / handeling - begin en einde zijn duidelijk
- activiteiten: wat er is gebeurd
                             wat iemand gedaan heeft
- geeft antwoord op de vraag 'en toen?'
- er is vaak een tijdsaanduiding

Hier, j'ai lu un article sur Taylor Swift.
Elle est née le 13 décembre 1989.

puis                vervolgens
alors               toen
ensuite          daarna
après              daarna
tout à coup   plotseling
soudain         plotseling

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imparfait
Je gebruikt de imparfait bij/om:
- te beschrijven hoe iets was / hoe je iets vond: 
   denk aan karakter, uiterlijk, een gemoedstoestand, kleding, landschap, ...
Le roi était très sympa.                 
Il faisait beau.
- gewoonte / feit
Le lundi je faisais du foot. 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Imparfait
Je gebruikt de imparfait bij/om:
- te beschrijven hoe iets was / hoe je iets vond: 
   denk aan karakter, uiterlijk, een gemoedstoestand, kleding, landschap, ...
Le roi était très sympa.                 
Il faisait beau.
- gewoonte / feit
Le lundi je faisais du foot. 

souvent            vaak
toujours           altijd
quelquefois    soms
autrefois          vroeger
avant                ervoor
depuis              sinds
d'habitude      gewoonlijk

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Passé composé vs. imparfait
Passé composé


Imparfait
gebeurtenis uit het verleden
wat iemand gedaan heeft

hoe het in het verleden was

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies