Hoofdstuk 4 Herhaling + oefenen

Hoofdstuk 4 Getallen
Herhaling + oefenen
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 27 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4 Getallen
Herhaling + oefenen

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling hoofdstuk 4
4.1 Waarde van cijfers en decimale getallen
4.2 Grote getallen
4.3 Afronden decimale getallen en op ronde getallen 
4.4 Afronden in praktische situaties
4.5 Procenten en percentages
4.6 Verhoudingstabel (of niet) 


Slide 2 - Tekstslide

4.1 Waarde van cijfers
Het getal 2305,67 bestaat uit 6 cijfers die allemaal een verschillende waarde hebben:

Slide 3 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L1 op blz. 203



Uitwerking:
1 x 10 000 = 10 000
8 x 1 000 = 8 000
4 x 100 = 400
0 x 10 = 0
5 x 1 = 5
3 x 0,1 = 0,3
9 x 0,01 = 0,09
timer
1:00

Slide 4 - Tekstslide

4.1 Decimale getallen
Getallen met cijfers achter de komma.
Plaats op de getallenlijn: tussen 2 hele getallen

Slide 5 - Tekstslide

Of tussen 2 decimale getallen
Om goed te vergelijken mag je nullen toevoegen!
6,38 > 6,3    want    6,3 = 6,30   en   38 > 30
6,38 < 6,4    want    6,4 = 6,40  en   38 < 40

Slide 6 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L2 op blz. 203

Uitwerking:
timer
1:00

Slide 7 - Tekstslide

4.2 Grote getallen
Grote getallen kun je in woorden schrijven of met cijfers:




19,6 miljoen schrijf je als 19 600 000
52 650 000 000 schrijf je als 52,65 miljard

Slide 8 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L6 en L7 op blz. 207

Uitwerking:

timer
3:00

Slide 9 - Tekstslide

4.3 Afronden decimale getallen
Afronden decimale getallen:
  • Afronden op 2 decimalen: je laat 2 decimalen staan.
  • Kijk naar de 3e decimaal en rond dan de 2e af naar boven of onder.
  • Dit geldt natuurlijk ook voor afronden op 1, 3, 4 etc. decimalen.


Voorbeeld:
Rond 10,627 af op 2 decimalen.
1. Kijk naar de 3e decimaal -> 7.
2. 7 is groter dan 5, dus afronden naar boven -> 10,63

Slide 10 - Tekstslide

4.3 Decimaal getal afronden op helen
Decimaal getal afronden op helen:
  • Afronden op helen betekent geen decimalen.
  • Kijk naar de 1e decimaal en rond dan de eenheden af naar boven of onder.


Voorbeeld:
Rond 10,627 af op een heel getal.
1. Kijk naar de 1e decimaal -> 6.
2. 6 is groter dan 5, dus afronden naar boven -> 11

Slide 11 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L8 op blz. 213

Uitwerking:

timer
3:00

Slide 12 - Tekstslide

4.3 Afronden ronde getallen
Afronden grote getallen:
  • Afronden op bv. duizendtallen -> alles achter het duizendtal wordt 0.
  • Kijk naar het cijfer van de honderdtallen en rond af naar boven of onder.
  • Dit geldt natuurlijk ook voor afronden op honderdtallen, tienduizendtallen etc. .


Voorbeeld:
Rond 3 785 263 af op duizendtallen.
1. Kijk naar de honderdtallen -> 2.
2. 2 is kleiner dan 5, dus afronden naar beneden -> 3 785 000

Slide 13 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L9 op blz. 213

Uitwerking:

timer
3:00

Slide 14 - Tekstslide

4.4 Praktisch afronden
In praktische situaties moet je logisch nadenken bij het afronden. Hier heb je dus 8 boten nodig.

Slide 15 - Tekstslide

4.4 Afronden met geld
Als je contant betaald, wordt het bedrag afgerond. 
We ronden dan af op een veelvoud van 5.

Slide 16 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L10 op blz. 217

Uitwerking:

timer
3:00

Slide 17 - Tekstslide

Procenten berekenen met verhoudingstabel
In een park hangen 240 nestkastjes. In 74,6% van deze kastjes broeden vogels. In hoeveel nestkastjes broeden vogels?





Dus 179 nestkastjes.
      100%
      1%
    74,6%
       240 
    179,04 
: 100
X 74,6
: 100
X 74,6

Slide 18 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L11 b op blz. 224

Uitwerking:


timer
5:00

Slide 19 - Tekstslide

Percentages
In een klas zitten 26 leerlingen. Hiervan halen 18 leerlingen een voldoende voor de toets. Hoeveel procent is dat?
      100%
69,230...%
        26
1
      18
: 26
X 18
: 26
X 18
Afronden op 1 decimaal!

Dus 69,2%

Slide 20 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L12 b op blz. 224

Uitwerking:


timer
5:00

Slide 21 - Tekstslide

4.6 Verhoudingstabel
Bij een verhouding kun je een tabel maken:




De getallen hebben allemaal dezelfde basisverhouding: 5 : 3
Wat je boven doet, moet je onder ook doen!





Slide 22 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L13 op blz. 232

Uitwerking:
timer
5:00

Slide 23 - Tekstslide

4.6 Wel of geen verhoudingstabel
Bij een verhoudingstabel hebben de getallen allemaal dezelfde basisverhouding.




Je controleert dit door het sommetje: boven : onder
Als er steeds hetzelfde uitkomt, is het een verhoudingstabel en anders niet.
6 : 15 = 0,4
60 : 150 = 0,4
12 : 30 = 0,4
18 : 48 = 0,4
36 : 96 = 0,4

Slide 24 - Tekstslide

Oefenen
Maak opgave L14 op blz. 232

Uitwerking:
timer
5:00

Slide 25 - Tekstslide

Procenten berekenen met verhoudingstabel
In een park hangen 240 nestkastjes. In 74,6% van deze kastjes broeden vogels. In hoeveel nestkastjes broeden vogels?





Dus 179 nestkastjes.
      100%
      1%
      45%
    € 59,95
€ 26,977....
: 100
X 45
: 100
X 45
Korting = € 26,98
Nieuwe prijs: € 59,95 - € 26,98 = € 32,97

Slide 26 - Tekstslide

Procenten berekenen met verhoudingstabel
In een park hangen 240 nestkastjes. In 74,6% van deze kastjes broeden vogels. In hoeveel nestkastjes broeden vogels?





Dus 179 nestkastjes.
      100%
  17,391.....%
       23
        1
         4
: 23
X 4
: 23
X 4
Aantal leerlingen met bril = 17,4%

Slide 27 - Tekstslide